Ik mag niet klagen. Gisterochtend schoof ik een gordijn open in mijn hotelkamer in Istanboel en voor mij lagen wel honderd grote en kleine schepen te dobberen op de roos- en goudverlichte zee van Marmara. Nu, vierentwintig uren later, zie ik vanuit mijn venster de zon de baai van New York in lichterlaaie zetten. “Wat Konstantinopel betreft kan ik u alleen maar zeggen dat ik gefrappeerd ben door de mening van Fourier dat het ergens in de toekomst de hoofdstad van de wereld zal worden”, schreef Gustave Flaubert in 1850. Zelf weet ik niet welke grootstad die titel verdient. Wat ik wel weet is dat ik nog voor geen enkele stad buiten New York zo onmiddellijk en hard ben gevallen als voor Istanboel. Wat mij betreft zijn het zustersteden, heel verschillend maar geboren uit dezelfde moeder, de zee. Met water, boten en bruggen alom. Met mensen die van overal komen. Met een tolerantie die steeds opnieuw de bovenhand haalt. Met een chaos van buurten die je van de ene sfeer in de andere schoppen. “Het is echt fantastisch, als een menselijke mierenhoop”, schreef Flaubert in diezelfde brief over Istanboel die in zijn tijd nog Konstantinopel heette. Dat is wat ik vaak ook over New York denk. Had ik gisteren na mijn tijd in Istanboel naar een klein dorp moeten terugkeren, ik zou mijn ogen hebben uitgeschreid. Nu is het bij twee totaal onverwachte dikke tranen gebleven, eergisteravond, toen ik bij zonsondergang de Gouden Hoorn afvaarde na een zondag zwerven door het mensenkluwen van Eyup, waar het grootste kerkhof en de heiligste moskee van de stad liggen.
We zijn vijf weken van huis weggeweest. Drie weken in Belgie en twee weken in Turkije. Ons huis ziet er goed uit, net als de poes. Drie Vlamingen, waarvan een van Marokkaanse komaf, en een Japanse hebben ervoor gezorgd. Uit de briefjes die ze op tafel achterlieten, blijkt dat ze ook zij geen spijt hebben van hun verblijf in een stad die aanspraak maakt op de titel van ‘hoofdstad van de wereld’. Of “maitresse van de wereld”, zoals de uit Vlaanderen afkomstige ambassadeur van de Habsburgers Augier de Busbecq Istanboel in de 16de eeuw omschreef. Omdat de stad met heel de wereld gemeenschap had. Net als New York.
“Ik heb genoten van de stilte in jullie huis”, schreef een van mijn gasten. “Zou je geloven dat ik de oproep tot gebed van de moskeeen mis”, zeg ik aan Tom voor het slapengaan. “Ik ook”, geeft hij toe. Het is proper voor twee ongelovigen. Maar echt. Je zou dat in Istanboel moeten horen. Vijf keren per dag geven die mannen katoen, in alle wijken van de stad. Elk vanuit zijn eigen minaret en geen twee zingen hetzelfde. Elkaar overschreeuwend en echoënd, verlangend, jammerend, niet te stuiten, dissonant, kakafonisch en toch wonderlijk harmonisch. Ze doen me denken aan de coyotes die ik vanuit onze blokhut in de Catskill-bergen hoorde huilen als ze bij valavond voor de jacht verzamelden. Sommigen van de “muezzins” hebben prachtige stemmen. Flamenco hoor ik erin, zigeunermuziek en blues. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat ze hun verscheurd hart uitschreeuwen voor de weggelopen liefde van hun leven. “Sing it boys!” roep ik door het open venster als ze hun muzikale storm ontketenen. We worden al snel zelfbenoemde experten. We vergelijken de muezzin-stemmen die we in andere steden en dorpen horen met die van Istanboel. Er is geen twijfel waar de beste zijn. Istanboel trekt vermoedelijk de supersterren onder de muezzins aan. Maar toch. Op een hete namiddag slaan we in zuid-Turkije lukraak een aarden wegje in naar een dorpje dat Hasanseyh heet. De huizen, honden, mensen en straatjes: alles en iedereen ziet er oud en versleten uit. De dorps-muezzin begint net met een versleten krakende stem de oudjes naar het moskeetje te lokken. Het is een tragisch geluid dat ik niet licht zal vergeten.
De singing boys zijn vroeg uit de veren. Het is nog donker als ze eraan beginnen. Soms zijn zelfs oordopjes en gesloten ramen niet bestand tegen hun galmende luidsprekers. Het voordeel is dat je weet dat ze het kort houden, wat van kraaiende hanen en lallende fuivers niet kan gezegd worden. Maar in ons New Yorks huis kan het, zoals mijn gast opmerkte, verrassend stil zijn. Grootsteden hebben zo hun geheimen en onverwachte momenten van rust. Op een weekdag dwalen we in Istanboel door een goedkope textiel-winkelwijk waar geen einde lijkt aan te komen. Volk, volk, volk dat zich een weg baant rond de op straat uitgestalde tafels en rekken. Verkopers prijzen luid roepend hun waren aan, dragers lopen zwetend gebukt onder onvoorstelbaar grote pakken. Walmen van houtvuurtjes en geroosterd vlees. Magere poezen. Auto’s die zich perse een weg willen banen door het wriemelende massaballet. Op een vroege zondagochtend ga ik er terug naar toe. De wijk is onherkenbaar uitgestorven. Boven mijn hoofd ritselt een poes door de weelderige druivelaar die een slimme ziel lang geleden van zijn winkeltje naar dat van een collega aan de overkant van de straat heeft geleid. Meeuwen vliegen krijsend voorbij. Een duif koert. Voor de rest is het stil. Vanuit de uitstalramen van het gelijkvloers en de eerste verdiepingen word ik aangestaard door sinister kijkende, gehavende etalage-poppen met rare, stijve pruiken op. Vooral de kinderpoppen lijken uit griezelfilms ontsnapt. Ik hoor het nerveuze getik van hoge hakken naderen. Een Aziatisch meisje komt haastig de heuvel opgestapt. Op het kruispunt kijkt ze aarzelend naar de straatbordjes. Of ze mijn stadsplan wil zien, vraag ik. “Yok”, antwoordt ze. In het Maldegems wil dat zeggen “ja” maar in het Turks “nee”. Het meisje slaat links af. Ik heb Istanboel weer voor mij alleen.
7 juni 2006