Het eerste deel van dit stukje staat in de rubriek "Jacqueline in Belgie"
Na acht dagen Belgie sta ik weer in Zaventem. De derde etappe van mijn exotische reis kan beginnen. Ik wacht op mijn vlucht tussen een twintigtal uitgelaten babbelende vrouwen. Op één na dragen ze allemaal lange gewaden en hoofddoeken. “Van waar bent u?” vraag ik aan een mooie dame naast me in een diepgroene jurk met wit borduursel. “Ik ben Marokkaans”, antwoordt ze, “maar we wonen allemaal in Belgie.” Ze is met haar vriendinnen op weg naar Izmir in Turkije. “We gaan elk jaar met hetzelfde groepje op vacantie, telkens naar een ander land”, vertelt ze, “zonder mannen en zonder kinderen. Even geen zorgen. Heerlijk.” ‘Heerlijk’, is wat ik ook denk als ik enkele uren later samen met de Marokkaans-Belgische dames in Istamboel land. Ook al was ik hier maar één keer en duurde mijn bezoek slechts een week, toch heb ik het gevoel van thuis te komen. Istamboel is een stad naar mijn hart. De allereerste indrukken die je er krijgt zijn nochtans niet mooi. De weg van de luchthaven naar de stad loopt langs triestige arme buitenwijken. Bij gebrek aan parken zitten massa’s mensen op de bermen van de autoweg te doen wat mensen overal op zondagnamiddag graag doen: babbelen, dutten, spelen, barbecuen, eten. Onze taxichauffeur is een woest rijdende zestiger met een grijze baard. Ik ben opgelucht als hij mijn bagage op het voetpad zet voor onze logeerplaats in de wijk Kadiköy. Hier woont een Nederlandse collega die me afgelopen winter mailde: “Mijn vrouw wordt vijftig en ik zou haar deze lente graag verrassen met drie weken New York. Ik weet hoe graag je in Istamboel was. Heb je zin in huisruil?” En of ik zin had. Het duurde twee minuten om vriend Tom te overtuigen.
Onze smalle straat begint aan een moskee en eindigt aan de zee. Ze is een aaneenrijging van winkeltjes en restaurantjes die tot diep in de nacht open zijn. Ik heb nog nooit zoveel kapperszaken, patisseries en bloemenwinkels bijeen gezien. In Kadiköy leven er zo te zien mensen die geld genoeg hebben om van de kleine plezieren van het leven te genieten. Zelfs de straathonden en -poezen zien er goedgevoed uit. Aan veel winkeltjes adverteren met de hand geschreven bordjes “Mama” –dat blijkt hier het woord voor honden- en katteneten te zijn. Vanuit onze flat op de derde verdieping lijkt het leven in de straat beneden op een nooit eindigende en nooit vervelende film. Het is tien uur ‘savonds. Een klein donker meisje in een lange gele jurk komt de straat afgedanst. Ze zingt en roffelt energiek op haar rood trommeltje. Ze stopt bij de groenteboer aan de overkant. Roffel, roffel. Ze houdt niet op tot hij haar enkele pruimen in een papieren zakje toestopt. Dan stapt ze daarnaast binnen bij de bakker waar ik elke morgen brood koop. Roffel, roffel. Haar stem klinkt als een klok tot boven in mijn woonkamer. De twee bakkersgasten die al minstens vijftien uur in de weer zijn lachen gecharmeerd. De langste en magerste stopt het zangeresje een broodje toe. Ze zet er meteen haar tanden in. Ziezo. Op zijn minst zal ze vanavond niet met honger naar bed gaan. Als ze tenminste ergens een bed heeft. Misschien is ze het dochtertje van een van de zigeunervrouwen die van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bloemen verkopen rond de aanlegsteigers waar de veerboten vertrekken. Wat anders dan bewondering kun je voelen voor zo’n overlevertje? Dat is wat ik ook voel voor de slanke zigeunerjongen die van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat met grote plastiek-zakken onder mijn raam voorbij zeult met gerief die hij uit de straatafval selecteert. Hij beweegt zich met de gedrevenheid van een Wall Street-bankier die op weg is naar een hoogst belangrijke vergadering. Wie weet wat hij met zijn taai doorzettingsvermogen zou kunnen bereiken als het leven hem betere kaarten had gedeeld. Enkele dagen geleden, uitgerekend op een van de belangrijkste feesten van de Roma-zigeuners, maakten bulldozers van de gemeente Istamboel verschillende van hun huizen met de grond gelijk. Dit jaar gingen er al 70 tegen de vlakte. Ze stonden allemaal in de historische wijk Sulukele die de stad wil omtoveren in een nieuwe woonwijk en een toeristische bestemming. Net als in New York denk ik in Istamboel meermaals per dag: het leven is een loterij en ik heb verdomd geluk gehad. Ik denk het als ik op een zonnige ochtend een tuiltje van wel tien verschillende soorten veldbloemen pluk op een braakliggend terrein naast een vervallen roze villa met zicht op de Zee van Marmara en de Prinseneilanden in de verte. Ik denk het als ik in een park hulpeloos sta te kijken naar drie jonge politieagenten die, ongegeneerd voor hun publiek, een gauwdief die hun vader had kunnen zijn in elkaar kloppen en gemeen in de ribben schoppen. Ik denk het als ik in een uitverkochte bioscoopzaal in een ontroerd Turks en Belgisch gezelschap zit te kijken naar ‘Ben X’, de Belgische inzending op het Internationaal Filmfestival van Istamboel, en herinnerd wordt aan een autistische vriend die enkele jaren geleden overleed. En ik denk het als radiocorrespondent Dirk Vermeiren ons na de vertoning meeneemt en plots een deur binnenstapt die leidt naar een stille binnentuin, vlakbij de drukste winkelstraat van Istamboel en op enkele honderden meters van een van haar armere wijken.
19 april 2008