TURKSE LEEUW

Een mooie mei-ochtend in New York. De jasmijn van mijn buurman parfumeert de straat. Iedereen die ik passeer, begroet me met een vertederde glimlach. Mijn buren zeggen altijd vriendelijk “welcome back” als ze me na een lange reis terugzien maar dit keer zijn ze buitengewoon lief. De reden dartelt naast me aan een rode leiband. Het is mijn nieuwe hond , of beter, hondje. Ze heet Aslan. Dat is Turks voor leeuw. Ongelooflijk hoe zo’n diertje harten doet smelten. Een zwart meisje met een peuter, een Indische moeder met vier kinderen, een Chinese man met een wit poedeltje, een Mexicaanse papa met drie zoontjes, de blonde juf van de school om de hoek: ze vinden Aslan in hun verschillende accenten allemaal toch oh “so cute”. Natuurlijk is Aslan schattig. Dat is de enige plicht die puppy’s hebben. Onze vorige hond Cajo stierf drie lentes geleden. Hij kwam dertien jaar eerder uit een dierenasiel in Brooklyn. “Na deze reis adopteren we een nieuwe hond”, hadden we afgesproken toen we vertrokken. Wat we toen nog niet wisten was dat er op dat ogenblik ergens in Istamboel een straathondje rondliep dat ons zou adopteren.

Straathonden zie je niet zo vaak meer in New York. Toen ik in de jaren tachtig hier kwam wonen, zag ik soms hele benden rondzwerven in de armere buurten. Vooral ’s nachts. Overdag hielden ze zich schuil in leegstaande gebouwen en op braakliggende terreinen. Vele leden aan schurft, infecties en ondervoeding. Rond de tijd dat wij Cajo adopteerden, euthaniseerde de stad zo’n 20.000 honden (en evenveel poezen) per jaar. Dank zij campagnes voor de sterilisatie van huisdieren en een bouwwoede waardoor het aantal schuilplaatsen voor straathonden en –katten drastisch is verminderd, is dit cijfer intussen flink gedaald.

In Istamboel daarentegen zie je nog straathonden bij de vleet. Dat is al eeuwen zo, ondanks pogingen om ze uit te roeien, die telkens op heftig verzet stuitten van de bevolking . Na hun staatsgreep van 1980 lieten de militairen er meer dan 88.000 afslachten. “We hebben weer eens een probleem opgelost dat de burgerregering niet aankon”, pochten ze. Ze maakten zich illusies. Alleen al in het Europese stadsgedeelte van Istamboel lopen er weer meer dan 100.000 straathonden rond. In de drie grootste steden van Turkije samen zouden er ruim een half miljoen zijn. Op papier zijn ze wettelijk beschermd tegen wreedaardige praktijken maar toch hangt hun lot weer aan een zijden draadje. In 2010 wordt Istamboel “culturele hoofdstad van Europa” en volgens organisaties van dierenvrienden gaat dat prestigieuze project gepaard met nieuwe pogingen om de straathonden te elimineren. In april kregen vrijwilligers plots verbod om het asiel van Beykoz, waar 2000 honden zijn opgesloten, nog te betreden. Hank Curfs, een Nederlander die zich het lot van Istamboels zwerfhonden aantrekt, vreest het ergste. “De honden van Beykoz worden gedood of gedeporteerd naar bossen rond de stad waar ze geen kans hebben om te overleven”, zei hij me, “zo maakt men plaats voor een volgende lading zwerfhonden die hetzelfde lot zal ondergaan”. De deelgemeenten van Istamboel hebben elk hun eigen hondenbeleid. Dat van Kadiköy, de Aziatische deelgemeente waar ik logeerde, is volgens Hank het beste. In de straten en parken zag ik er tientallen goed gevoede, waardige, grote honden met plastiek clipjes in hun oren, het teken dat ze ze zijn gesteriliseerd, gevaccineerd en teruggebracht naar de plaats waar ze werden opgepakt. Ze blaften zelden en nooit zag ik er vechten.

Een week geleden reed ik met Hank over een aarden weg aan de beboste rand van Istamboel. Op de top van de heuvel stonden koeien te grazen. In het glooiend, uitgestrekte weide-landschap onder ons lagen wat ik even voor kalfjes aanzag. Tot die ‘kalfjes’ rechtsprongen en kwispelstaartend op ons af kwamen. Met tientallen verdrongen ze zich rond ons. “Ze zijn het gewoon dat vrijwilligers hen eten komen brengen met de auto”, legde Hank uit. “Het zijn zwerfhonden die in deze omgeving achtergelaten werden”. Met ons enthousiast gevolg reden we de weg verder af tot aan een splitsing. “Zie je die gele gebouwen daar rechts op de heuvel?” wees Hank, “dat is een hondenasiel van de stad. Bezoekers zijn er niet meer toegelaten. De omstandigheden zijn er vreselijk. Hoor je dat gestresseerde geblaf?” We sloegen links af en kwamen aan een hekken. Een vriendelijke man met drie honden in zijn kielzog opende het voor ons. “Dat is ons asiel”, zei Hank trots, “Het wordt uitgebaat met privé-geld. Er is plaats voor driehonderd honden. Drie mensen zorgen voltijds voor de dieren en dan hebben we nog een dierenarts die de sterilisaties, vaccinaties en andere verzorging doet.” Het asiel zag er keurig uit. Sommige honden lagen te luieren op het gras. Anderen sliepen in hun houten hokken. Het water in de drinkbakken was vers. Enkele zieke honden en nesten pups zaten veilig apart.

We wilden net vertrekken toen er nog een dierenvriendin het erf kwam opgereden. Ze heette Claudia en werkte op het Amerikaanse consulaat. Op de achterbank van haar wagen zat een bruine pup met ernstige ogen. “Een collega van me heeft haar op straat gevonden”, vertelde Claudia. “Ik kan haar niet houden want ik heb al een hond. Mocht iemand van u een puppy willen dan is dit het moment.” Voor iemand van ons was het blijkbaar het moment. De puppy ligt onder mijn stoel te soezen terwijl ik dit stukje schrijf.

8 mei 2008