KAN IK U HELPEN?

Ik ben op weg naar een vernissage in Istamboel; de galerij bevindt zich in de buurt waar schrijver Orhan Pamuk is opgegroeid. De taxichauffeur bekijkt me vragend. Welke straat? Ik probeer het nog een paar keer. Tevergeefs. De man begrijpt me niet. Wat me niet echt verbaast. Mijn Turks haalt nog niet het niveau van een peutertje dat pas leert spreken. Een man met een grijze snor en vriendelijke ogen is intussen naast me komen staan. Hij overlegt even met de taxi-chauffeur. Ik plooi mijn stadsplan open. Gebarentaal, snelle zinnen. Beter van te wandelen, begrijp ik, het verkeer zit muurvast. “Kan ik u helpen?”, vraagt ineens een zachte vrouwenstem achter me in het Duits. Naast haar staat een oudere man met een petje op. Ook hij spreekt Duits, al is hij wat moeilijker te begrijpen vanwege zijn Beiers/ Turks accent. In het volgend half uur doen vader en dochter wat ik al zoveel New Yorkers heb zien doen met nieuwe bezoekers in de stad: hen zonder tralala de weg tonen. Ze wonen in München. Pa was eerst naar ginder getrokken. Dochter, in hoofddoek en lange rok, spreekt perfect Duits. Het Turks van haar vier kinderen die in München zijn gebleven met hun Turkse vader is“nicht sehr gut”. “Dat is jammer”, zeg ik. “Dat vind ik ook”, zegt de vrouw, “maar wat doe je er aan?” Verschillende immigranten-ouders in de VS, Belgen inbegrepen, heb ik met dezelfde mengeling van trots en gelaten spijt horen spreken over hun veramerikaniseerde kinderen. Dochter en vader zijn schatten van mensen. Twee metrotreinen en nog een wandeling later moeten zij links afslaan. Ik ben bijna ter bestemming. “Komt u eerst nog een kopje koffie drinken bij ons thuis?” nodigt de vader me uit. Het is met spijt dat ik het aanbod afsla maar ik ben zo al laat voor mijn afspraak. Dochter en ik geven elkaar twee afscheidszoenen. ‘Hoeveel ‘echte’ Duitsers of Vlamingen zullen vandaag een buitenlander die hun taal niet spreekt bij de hand nemen om hem de weg te tonen en dan ook nog op de koffie uitnodigen?’, denk ik terwijl ik de galerij binnenstap.

Nederig wordt een mens ervan om zich een tijd onder te dompelen –in mijn geval drie weken- in een land waar hij geen snars van de taal begrijpt. Ik raad het iedereen aan. Er gaat geen dag voorbij of ik voel me hulpeloos of dom, hilarisch of exotisch, een vreemde eend of een vermoeide clown. De simpelste dingen worden obstakels. Gisteren werd er in de loop van de dag drie keer aangebeld. Van de uitleg die de mensen beneden aan de voordeur van ons flatgebouw via de parlofoon op ons afvuurden, begrepen Tom noch ik een woord. Was het iemand van de electriciteit- , gas- of kabelmaatschappij? Was het een inbreker of een kerel van de belastingen? Probeer maar eens in het Turks te zeggen: “De persoon die hier woont is afwezig. Hij komt op 2 mei terug. Wilt u dan aub terugkomen? Wij zijn hier slechts gasten.”

“Zelfs na vijf jaar hier wonen overkomt het me nog dat ik de draad kwijt geraak tijdens een ingewikkeld tv-debat”, vertelt Dirk Vermeiren, de VRT-correspondent in Istamboel. Binnenkort verschijnt zijn vierde boek over zijn lievelingsland Turkije. Ik zit met hem in een restaurant aan de oever van de Bosporus. Onze kelner bekijkt Dirk met een verraste en tegelijk licht geamuseerde blik wanneer die in snel Turks onze bestelling afratelt. “Pas na twee jaar klikte er iets in mijn hoofd en kon ik zinnen beginnen vormen”, zegt Dirk. Dat heb ik ook van andere buitenlanders die hier wonen gehoord: je hebt minstens twee jaar nodig om een beetje weg te zijn met deze mooie maar complexe taal. Japanners en Koreanen voor wie de structuur en de uitspraak van talen als Engels en Nederlands bijzonder moeilijk is, hebben volgens Dirk dan weer minder moeite om Turks te leren.

“Ze moeten de taal maar leren”. Het is een zinnetje dat veel Vlamingen gemakkelijk over de lippen krijgen. Natuurlijk is het belangrijk om de taal te leren van het land waar je je wil vestigen maar hebben die strenge taalmeesters zelf al eens hun tanden gezet in een taal waarvan alleen al de zinsbouw in niets gelijkt op de Nederlandse? In het Turks wordt alles omgekeerd. Ik glimlach telkens bij het zicht van ijverige Turkse winkeliers die buitenlanders uitnodigen met bordjes waarop staat: “Spoken English” of restauranthouders die op hun menus “Day of the fish” aanprijzen. Zelfs de simpelste dingen uitdrukken is moeilijk. Het is dan ook met veel sympathie dat ik denk aan alle Turken die op dit ogenblik aan het zweten zijn in taalscholen hier in hun eigen land om Duits te leren. Verschillende gemeenten hebben onlangs centra geopend waar Turken 270 uren Duitse les zullen krijgen in de hoop dat ze zullen slagen in het examen dat de Duitse wet sinds augustus vorig jaar oplegt aan Turken die hun familie of lieven in de Bondsrepubliek willen vervoegen. Dat is allemaal goed en wel voor wie kan lezen en schrijven maar dramatisch voor de vele Turken die nooit de kans kregen om lager, laat staan middelbaar onderwijs te volgen. Ik hoef maar uit mijn raam te kijken om te zien hoe ongelijk de kansen hier verdeeld zijn. Elke dag huppelen leerlingen van de dure privé-scholen in de buurt hier vrolijk voorbij in hun kraaknette uniformen. In diezelfde straat zie ik smoezelige, blootvoetse kinderen die bedelen, iets bruikbaars zoeken in de huisafval of papieren zakdoekjes en rozen proberen te verkopen. Zij hebben nog nooit de binnenkant van een klaslokaal gezien.

1 mei 2008