Vanuit mijn werkkamer zie ik een gele schoolbus op de straathoek stoppen. Mijn zwarte buurkinderen, TJ en Tamara, stappen uit. Ze komen van ‘summer school’. Op de bus zie ik een bonte mengeling van zwarte, bruine en blanke kinderen. Ik heb in New York altijd in raciaal gemengde buurten gewoond. Dat was toevallig, niet opzettelijk. Je zou eruit afleiden dat gemengde buurten hier de norm zijn maar het tegendeel is waar. Zelfs in een stad zo divers als New York zijn het eilanden in een monochrome zee. De raciale segregatie is niet dood in Amerika. Op sommige vlakken is ze in de laatste decennia zelfs toegenomen. In het onderwijs bijvoorbeeld. Als je in New York een klasje ziet passeren, is het meestal monochroom blank of gekleurd. Op een speelplaats in Chinatown zie ik enkel Chinese kinderen. De scholen reflecteren het monochroom karakter van de buurten waarin ze zich bevinden want je mag in principe je kind enkel naar een openbare school in je eigen buurt sturen. Vele blanken sturen hun kroost naar (blanke) privé-scholen. Nochtans was het in het onderwijs dat de raciale desegratie in de VS begon. In 1954 verklaarde het Opperste Gerechtshof dat afzonderlijke scholen voor zwarten en blanken “inherent ongelijk” en dus ongrondwettelijk waren. Het was het startsein voor de beweging voor gelijke burgerrechten die in de volgende 20 jaar het ene sukses na het andere boekte. Rechtbanken dwongen gemeenten gelijkheid na te streven door, ondanks fel verzet, kinderen uit zwarte wijken naar scholen in blanke wijken te sturen en omgekeerd. Ze dwongen ook universiteiten en andere instellingen om met positieve discriminatie ruimte te creeren voor raciale minderheden. Wetten die openlijke of onderhuidse discriminatie in stand hielden, werden afgeschaft. Dat hielp vele zwarten en andere minderheden de sociale ladder te beklimmen. De welvaart van de zwarte middenklasse en het feit dat sommige van de meest bewonderde figuren in het land zwart zijn –denk aan Colin Powell, Condoleezza Rice, Oprah Winfrey en Tiger Woods- overtuigde vele blanken dat discriminatie tot het verleden behoort. Onpopulaire maatregelen zoals het versluizen van kinderen met bussen om scholen raciaal gemengd te maken, werden afgebouwd. Ook aan positieve discriminatie wordt geknabbeld. Nu er gelijkheid is, leidt het tot discriminatie tegen ons’, beweren steeds meer blanken.
“Het idee dat er nu gelijkheid bestaat in Amerika berust op een misverstand”, zegt Sheryll Cashin, auteur van het boek “The failures of integration”. “Uit opiniepeilingen blijkt dat de helft van de blanke Amerikanen denkt dat de modale zwarte het nu qua werkkansen en inkomen even goed heeft als de modale blanke. Maar de werkloosheid van zwarten is ruim dubbel zo hoog als die van blanken en het percentage zwarten die laagbetaalde jobs hebben is ook dubbel zo hoog. Het inkomen van de modale zwarte bedraagt 64 % van dat van de modale blanke, hij bezit slechts 16% van wat de modale blanke heeft en zijn levensduur is 7 jaar korter.”
Intussen groeit de raciale diversiteit in het land. In 1954, toen de desegratie begon, was 87% van Amerika blank en 10% zwart. Nu hebben de Latino’s de zwarten voorbijgestoken als grootste minderheidsgroep. Ook de Aziatische immigratie is fors gestegen. Als de huidige trends aanhouden, zal Amerika op het einde van deze eeuw nog slechts voor 40% blank zijn. Die groeiende diversiteit is het gevolg van een honger naar werkkrachten, geschoolde zowel als ongeschoolde. Op het werk is de rassenscheiding dan ook danig verminderd. “In dit land wonen de rassen apart, ze ontspannen zich apart, ze gaan apart naar de kerk en ze leren apart maar ze werken samen”, zegt Cashin. Maar ook op het werk is niet alles koek en ei. Voor minderheden blijkt het moeilijker om hoger op te klimmen. Dat heeft minder te maken met openlijk racisme dan met wat sociologen ‘networking’ noemen – de neiging om je te omringen met medewerkers die uit je eigen kringen komen. Aangezien de toplaag grotendeels blank is, hebben blanken sowieso een streepje voor. Zwarten en andere minderheden klagen ook dat integratie op het werk vaak een eenrichtingstraat is. “De bedrijfscultuur houdt in dat wij ons ‘blank’ moeten gedragen”, zegt Howard, een zwarte vriend die op een advocatenbureau werkt. En een Latino-vriend klaagt dat hij op zijn werk geen Spaans mag spreken. Het gevoel dat ze hun identiteit moeten opgeven op het werk verdwijnt vaak pas als het aantal niet-blanken een kritische massa bereikt die de sfeer verandert. Blanken hebben zich soms verzet tegen de integratie van anderen op het werk – de politie en de brandweer zijn twee klassieke voorbeelden. Maar over het algemeen was die weerstand zeldzamer en minder extreem dan deze tegen de desegratie van woonbuurten, volgens socioloog Kevin Early omdat blanken die laatste meer ervaren als een aanval op hun sociale status. Het lijkt misschien paradoxaal maar de integratie krijgt soms een duw in de rug door arbeidsconflicten omdat die de werknemers bewust maken van hun gemeenschappelijk belangen. Volgens vele experts was geen enkel bedrijf zo suksesvol in het tot stand brengen van integratie en het bevorderen van minderheden in leidende posities als het leger. John Sibley Butler schreef er een boek over. “Het leger slaagde er in omdat het zich toespitste op training in plaats van de recruten te leren dat ze moeten overeen komen”, zegt Butler. “De aanpak was simpel: plaats mensen uit verschillende raciale groepen in hetzelfde team en geef ze een gezamenlijke taak. Het helpt natuurlijk dat in het leger een bevel een bevel is en protest muiterij. Het leger stelde zich niet als doel om het raciaal klimaat te verbeteren. Het product is militaire slagkracht, excellente raciale verhoudingen zijn slechts een bijproduct. Contrasteer dat met de aanpak van bijvoorbeeld de universiteiten. Die proberen de raciale verhoudingen te verbeteren door de studenten te dwingen om cursussen te volgen in multiculturele opvoeding. Dat heeft weinig impact; ze zouden er beter aan doen om de studenten te doen samen werken in een team.”
Volgens Butler zouden bedrijven overal er wel bij varen als ze het voorbeeld van de US army volgen. “De sleutel tot sukses is talent”, zegt hij. “Talent vind je in alle bevolkingsgroepen, ongeacht afkomst of kleur. Bedrijven die, in plaats van creatief dat talent te zoeken waar het ook is, enkel in hun eigen vijver blijven vissen, riskeren een verlies aan competiviteit.”
Juli 2006