De gemiddelde Amerikaan verhuist tien keren in zijn leven. Daar kan de honkvaste Belg een puntje aan zuigen. Zelf ben ik ook al tien keren verhuisd. Hier in New York kijkt geen mens daar van op. De gemiddelde Amerikaan heeft ook al 9 verschillende jobs gehad tegen zijn 34ste. Op dat vlak zit ik ver onder het gemiddelde. Na mijn studies in Belgie deed ik een interim van een half jaar. Kort daarna trok ik naar Amerika waar ik freelance-journalist werd. Het was een beetje een sprong in het ijle maar ik heb er nog geen spijt van gehad. Straks in oktober woon ik hier 25 jaar. Ik heb er nooit aan gedacht om een andere baan te zoeken. Onverwacht ontslagen worden vanwege sluiting, reorganisatie of ‘te oud’, koortsachtig naar een nieuwe job zoeken, ruzies met collega’s of de baas, mijn gestresseerd lijf met tegenzin naar het werk slepen: tot nu toe is me dat allemaal bespaard. Als mensen me vragen wat ik doe, zeg ik dat ik een betaalde toerist ben. Nieuwe plaatsen verkennen is mijn passie, mijn hobby en mijn werk. Ik ben een gelukzak maar dan wel een die geen recht heeft op betaalde vakantie, ziekteverzekering of pensioen. Het is mijn eigen keuze. Soort zoekt soort. Onder mijn NewYorkse kennissen krioelt het van mensen die ervoor gekozen hebben om het onzekere pad van hun eigen zin te volgen. Velen hebben universitaire diplomas op zak maar freelancen als muzikanten, schrijvers, acteurs, clowns… lukt het niet, dan probeer je iets anders, is hier de regel. Het cliché over Amerika’s optimistische ‘can do-spirit’ is niet zonder grond.
Ontevreden met je job of ontslagen? Het is hier veel gewoner om te verhuizen –soms naar de andere kant van het land, duizenden kilometers ver - of opnieuw te gaan studeren om een nieuwe carriere te beginnen. De Amerikaanse maatschappij verwacht dat je niet bij de pakken blijft zitten. Kan het zijn dat een maatschappij van immigranten en afstammelingen van immigranten minder klagers en meer doeners produceert? Veel Amerikanen gaan er alleszins prat op dat zij meer flexibiliteit en ondernemingslust bezitten dan de ‘verstarde’ Europeanen. Ze moeten wel. Het sociale vangnet is hier vol gaten. Minder dan een derde van de Amerikaanse werklozen krijgt een uitkering of ziekteverzekering. Het is zwemmen of verzuipen. Wie niet zwemmen kan –wie niet flexibel genoeg is of te veel tegenslag heeft- wordt al snel meegesleurd in een draaikolk van armoede. De nieuwe informatietechnologie en de globalisering die ermee gepaard gaat, hebben al miljoenen Amerikanen gedwongen om te veranderen. Volgens een rapport van het Bureau of Labor Statistics zal die trend in de komende jaren niet afzwakken. Miljoenen textielarbeiders, boeren, bank- en andere bedienden zullen iets nieuws moeten proberen. De keuze lijkt groot: het aantal beroepen is gestegen van 322 (volkstelling van 1850) tot 31000 (volkstelling van 2000). Maar 15 van de 20 snelst groeiende beroepen zijn in slechts twee sectoren: gezondheidszorg en computers.
Veel Amerikanen veranderen echter ook zonder dat ze daartoe gedwongen worden. Volgens een onderzoek van de Conference Board is slechts iets minder dan de helft van de Amerikanen tevreden met hun baan. De ontevredenheid is het grootst en het snelst gestegen bij de ‘babyboomers’, de generatie die nu rond de vijftig is. Carriere-consultants zeggen dat ze bestormd worden door babyboomers die zich plots bewust worden van hun sterfelijkheid en nog snel iets anders willen proberen, voor het te laat is. Ik begrijp dat verlangen. Zoveel mensen zijn een bepaalde richting ingeslagen toen ze nog nauwelijks volwassen waren. Hun keuze was meer bepaald door het toeval, of door druk van hun ouders, dan door wat ze diep van binnen verlangden. Moeten ze echt tot aan hun pensioen gekluisterd blijven aan een werk dat hen verveelt, dat hen bitter en cynisch maakt? Ergens is er misschien een baan voor hen die de tijd doet vliegen in plaats van kruipen… maar hoevelen hebben de moed of het geld of het vernuft om die baan te vinden? In zijn boek “What should I do with my life?” (uitgeverij Random House) beschrijft Po Bronson 55 mensen die iets radicaal anders begonnen. Een computerverkoopster werd masseuse, een bankier viskweker, een politieagent kok, een advokaat kleuterleider, een tandarts fitness trainer, enzovoort. De meesten zijn babyboomers en hun verhalen hebben doorgaans een happy end. Toen ze eindelijk deden wat ze wilden doen, verdubbelde hun energie, voelden ze zich echt leven. Maar Bronson stelt de overgang naar mijn gevoel wat te gemakkelijk voor. Verandering lijkt, vooral in het begin, op chaos en chaos is beangstigend. Als je veel geld hebt, is er natuurlijk geen probleem. Chris Peters, een vice-president van Microsoft, kreeg enkele jaren geleden een ‘Woody Allen-achtige aanval van sterfelijkheidsbesef’, zoals hij het zelf uitdrukte. Hij nam ontslag en begon te trainen om een professionele bowler te worden. Daar bleek hij uiteindelijk niet het talent voor te hebben. Geen nood, Peters kocht de hele bowlersliga. Speelde hij er niet in, dan speelde hij er toch mee. Ja, zo kan ik het ook. Voor iemand die geen fortuin heeft maar wel de verantwoordelijkheid voor een gezin, liggen de kaarten anders.
Het NewYorkse management bedrijf Celia Paul Associates interviewde honderden managers die met sukses van carriere veranderden. Wat hadden ze gemeen? In de eerste plaats een bereidheid om hun ‘comfort zone’ te verlaten en een sprong in het ijle te wagen, zo rapporteerde de firma. Natuurlijk, als ze ook managers had geinterviewd wiens carriere-verandering een flop werd, dan zou ze diezelfde bereidheid om een sprong in het ijle te wagen gevonden hebben. Zo’n sprong eindigt soms met gebroken benen, of erger. Volgens Bronson is er echter niets erger dan in een werksituatie blijven die je ongelukkig maakt. Mislukken is beter dan er niets aan doen.
Paul Gauguin zou hem wellicht gelijk geven. Toen hij 35 was, werkte hij als beursmakelaar. Het volgende jaar verloor hij zijn baan en besloot hij om full-time schilder te worden. Hij liet zijn comfortabel leven in Parijs en zelfs zijn gezin in de steek om in Bretanje, de Provence, Martinique en later Tahiti een tumultrijk artiestenleven te leiden. Was zijn sprong de moeite waard? Niet voor zijn vrouw en kinderen, wel voor de miljoenen die zijn werk prachtig vinden. En voor Gauguin zelf? Hij ondernam een zelfmoordpoging en stierf arm en alleen aan syfilis. Toch beschreef hij in die laatste dagen zijn leven nog als “extase, vrede en voor kunst…ver van de strijd voor geld.”
Jacqueline Goossens
Juli 2005