Een Smerig Beroep

Marty Levitt leidt een zwervend bestaan. Sociale verkiezingen winnen is zijn beroep en daarvoor doorkruist hij de VS al meer dan dertig jaar lang. Op dit ogenblik is hij in Las Vegas, waar hij een campagne leidt voor de vakbond van het horeca-personeel. Een vuriger syndicalist dan Marty vind je niet gauw. Maar dat was niet altijd zo. Negentien jaar lang was hij een gezworen vijand van de vakbonden. Ook toen was sociale verkiezingen winnen zijn beroep. “Ik was een ‘union-buster’ –een professionele vakbondsbreker”, vertelt hij me. “Ik ben daar niet fier op, het is een smerig beroep. Maar nu sta ik aan de andere kant en gebruik ik mijn expertise om mijn vroegere bondgenoten de pas af te snijden.”

Sociale verkiezingen in de VS zijn heel anders dan bij ons. Als werknemers van een bedrijf in de VS zich willen laten vertegenwoordigen door een vakbond, moeten ze daartoe een aanvraag indienen bij de NLRB, de Nationale raad voor Arbeidsrelaties. Als minstens 30% van het personeel de aanvraag ondertekent, organiseert de NLRB een verkiezing in dat bedrijf. In principe mogen alle vakbonden aan zo'n verkiezing deelnemen maar in praktijk is er meestal slechts een omdat de vakbonden liever uit elkaars vaarwater blijven. De keuze is dus doorgaans beperkt tot een vakbond of geen enkele.

In meer dan tweehonderd van deze verkiezingen bevocht Marty Levitt de vakbonden. Hij verloor er slechts vijf. Maar echt verliezen deed hij nooit: na een syndicale overwinning mocht hij weer aan de slag om de vakbond een jaar later door nieuwe verkiezingen de deur uit te werken. Dat heet dan een "decertificatie-campagne". Er zijn er steeds meer en de Amerikaanse vakbonden kregen dan ook zware klappen. In 1983 was 20,1% van de Amerikaanse werknemers gesyndiceerd, vandaag nog maar 13,2%. In de publieke sector houden de vakbonden goed stand. De syndicalisatiegraad –37,5%- is er nagenoeg ongewijzigd gebleven. Maar in de prive-sector is hij bijna gehalveerd tot 8,5%. Vanwaar dat verschil? “De overheid huurt geen vakbondsbrekers”, zegt Marty, “maar de prive-sector des te meer.” Hij schat dat meer dan duizend Amerikanen met het saboteren van vakbonden hun brood verdienen. Ze noemen zich natuurlijk niet ‘union buster’ maar geven zichzelf ronkende titels zoals ‘labor relations consultant’. Ze zijn actief in alle sectoren. “Zelf heb ik onder meer gewerkt voor mijnen, luchtvaartmaatschappijen en chemische fabrieken”, vertelt Marty, “bischoppen en nonnen betaalden me om hun hospitalen vakbondvrij te houden. Zelfs filmacteur Clint Eastwood nam me in dienst toen personeelsleden van zijn restaurant "Hog Breath's Inn" een sociale verkiezing eisten.” Wat doet zo’n vakbondsbreker eigenlijk? “ In de eerste plaats verdeling zaaien”, zegt Marty, “administratief en technisch personeel overtuigen dat ze niets gemeen hebben met de productie-arbeiders. Raciale en andere vooroordelen uitbuiten. Ik doorsnuffelde politiedossiers en alle andere informatie die ik kon gebruiken om vakbondsmilitanten in een kwaad daglicht te plaatsen. Als ik niets vond, gebruikte ik laster. Soms verspreidde ik geruchten over een bekende syndicalist dat hij een homo was of zijn vrouw bedroog. Dat was vaak zeer doeltreffend. Of ik probeerde vakbondsaanhangers te provoceren tot vandalisme. Als dat niet lukte, deed ik het in hun plaats, door mijn mensen krassen te laten maken op de wagens van personeelsleden die bekend stonden als tegenstanders van de vakbond. Daarna liet ik een personeelsbrief verspreiden waarin "de intimidatiemethodes van de vakbond" werden aangeklaagd.” Op alle mogelijke manieren maakt de vakbondsbreker de sfeer in het bedrijf elke dag wat meer gespannen. Intussen gebruiken zijn juridische medewerkers elke truc uit het wetboek om de kiescampagne zo lang mogelijk te rekken. "Uitsteltaktieken zijn zeer belangrijk”, zegt Marty, “als het een uitputtingsslag wordt, wint de directie bijna altijd. De rotsfeer werkt steeds meer personeelsleden op de zenuwen zodat ze beginnen te denken:’het was beter voor de vakbond zich met ons bedrijf inliet.” Levitt verdiende goed zijn brood maar gelukkig was hij niet. “Ik stond onder zware stress en walgde eigenlijk van wat ik deed. Ik begon steeds meer te drinken; alleen zo kon ik het volhouden. Maar ik werd een alcoholist en mijn vrouw Alice liet me zitten. Dat was mijn dieptepunt maar ook het begin van mijn nieuw leven. Als vakbondsbreker verdiende ik meer dan 200 000 dollar per jaar. Ik dacht dat ik dat nodig had om de liefde van mijn mooie Alice te kopen. Na onze scheiding kon ik ook met mijn beroep breken. Ik verdien nu veel minder maar ik veracht mezelf niet meer.”

Maar hoe komt het dat die anti-vakbondtrend zo sterk is in Amerika? Is het echt zo voordelig voor bedrijven om de vakbond aan de deur te zetten? “Absoluut niet”, beweert Marty, “een bedrijf dat met de vakbond samenwerkt in plaats van er tegen te vechten, is veel efficienter. Waar die samenwerking goed verloopt, spannen de vakbonden zich in om kwaliteit en productiviteit te verhogen. Vakbonden zijn goed voor het kapitalisme, ze helpen een bedrijf winstgevend houden. Maar het gaat niet over geld. Mijn klanten waren altijd bereid om meer geld uit te geven om de vakbond buiten te houden dan het hen kon kosten om met de vakbond samen te werken. Er is slechts een enkele reden waarom hier een bloeiende vakbondsbrekersindustrie bestaat: het obsessieve verlangen naar absolute controle. Machtswellust, niet winst, daar gaat het om.”

Jacqueline Goossens

Juni 2003