De eerste persoon die ik vanochtend tegenkom is mijn buurvrouw Karin die in haar voortuintje bezig is.We groeten elkaar. Karin is Brits. Daar komt Emily in haar verpleegster-uniform ook net uit haar huis gestapt. “Good morning, how are you?” zegt ze met haar zwaar Bulgaars accent. Haar naam heeft ze verengelst. Engeland en Belgie zwaaien naar Bulgarije. Ik loop verder langs de huizen van mijn Bahamiaanse, Jamaicaanse, Chinese, Filippijnse, Senegalese, Braziliaanse en zowaar ook enkele Amerikaanse buren. In ga melk halen bij de kruidenier. Iedereen die daar werkt, is van Sri Lanka. Daarna ga ik met de auto naar de post. De bediende achter het loket is Chinees. Niemand stoort zich aan zijn accent. De klanten zijn zelf van overal. Het postkantoor ligt in de buurt waar het meest Albanezen en Liberianen van heel New York wonen. Ik moet nog even naar de bank. Ik word er geholpen door Terry, een dochter van Ierse immigranten. Ze vertelt me dat haar eigen dochter naar Ierland wil emigreren. Ik stop aan het benzinestation. De pompbediende is een Pakistani. Later, op de metro, kondigt de conducteur de haltes aan met een Russisch accent. Ik stap uit in midtown, waar ik een afspraak heb met een Belgische vriendin. Ze leidt me rond in het medisch research-labo waar ze werkt. De begroetingen van haar collega’s zijn een cocktail van accenten. “Ze komen uit alle werelddelen”, zegt mijn vriendin, “het is een heel stimulerende omgeving om research te doen”.
Zo gaat het elke dag opnieuw in New York. Je komt er heel de wereld tegen. In Queens, het meest internationale stadsdeel, zitten er kinderen uit meer dan 180 landen in de scholen. Van de werkende bevolking van New York is 47 procent in het buitenland geboren. Immigranten zijn de zuurstof van deze stad. Toen grote delen van New York in de jaren 1970 en ’80 dreigden te verstikken door stedelijk verval, bracht een nieuwe golf immigranten redding. Dank zij hen zijn buurten zoals de South Bronx die enkel nog goed leken als décor voor griezelfilms, weer leefbaar geworden. Al van het prille begin was New York een internationale stad. Dat kosmopolitisch karakter is deel van haar aantrekkingskracht. Niet alleen uit het buitenland maar ook uit de rest van Amerika zuigt de stad jonge, ondernemende mensen aan die aan hun monotone omgeving willen ontsnappen. In het laatste decennium is de bevolking van de stad met meer dan een miljoen gegroeid. Natuurlijk zijn er wel eens wrijvingen maar ze zijn verrassend zeldzaam. Zelfs de joden en de arabieren komen hier doorgaans goed overeen. NewYorkers, ook diegenen die hier geboren zijn, zijn er trots op dat hun stad als geen ander de wereld in een notedop is. Van alle Amerikanen die ik ken is er geen een –nu ja, op mijn sjagrijnige buurman Bob na, maar die kankert op alles- die de immigranten als indringers beschouwt. De immigranten zelf blijven trots op hun afkomst maar voelen zich heel snel NewYorkers. Hun kinderen die hier opgroeien worden Amerikanen zoals al de rest. Het is verbluffend hoe snel de integratie hier gaat.
Dat is een groot verschil met Belgie waar kinderen en kleinkinderen van immigranten nog vaak als “vreemdelingen” worden bestempeld. Tegenwoordig gebruikt men de term “allochtonen” die iets minder afwijzend klinkt, maar het blijft een brandmerk. Ik weet het, de oorzaken zijn complex, maar als NewYorker valt het me op hoe moeizaam de integratie in Europa verloopt. In Frankrijk maakt men ruzie over hoofddoeken, in Duitsland wil men immigranten examens opleggen die een kennis van de Duitse geschiedenis vereisen die de meest Duitsers zelf niet bezitten, in Vlaanderen groeit extreem-rechts op de mestvaalt van het wantrouwen voor “de vreemdelingen”. Het is niet dat ik er geen begrip voor kan opbrengen maar het komt me voor dat Europeanen in eigen vlees snijden wanneer ze hun angst voor internationalisering als leidraad nemen.
Er zijn tal van studies die aangeven dat de internationalisering tot hier toe een goede zaak was voor de Amerikaanse economie. Een vrijer internationaal verkeer van goederen leverde de VS wijdere markten op en goedkope invoer die zich vertaalde in lage inflatie. Vrijer kapitaalverkeer zorgt ervoor dat 80 % van het netto-spaargeld van de wereld naar de VS vloeit zodat de Amerikanen –voorlopig toch- comfortabel boven hun stand kunnen leven. En het relatief gemak waarmee immigranten zich hier kunnen integreren, lokt zowel hoog-geschoolden als goedkope arbeidskrachten. Dat was goed voor de winstcijfers maar minder goed voor de lonen. Terwijl de bedrijfswinsten in de VS bijna verdubbelden sinds 2000, bleven de lonen ter plaatse trappelen, ondanks de stijging van kosten als huisvesting en gezondheidszorg. Het aandeel van bedrijfswinsten in het BNP steeg van 7% in 2001 naar 11,6% in 2005. “Bedrijven konden een groter deel van hun inkomen houden in plaats van aan lonen te besteden omdat de arbeidsmarkt zo zwak bleef”, zegt Bradford DeLong die economie doceert in Berkeley. Dat die arbeidsmarkt zo zwak bleef ondanks de relatief lage werkloosheid komt volgens DeLong door de internationalisering. De optie om productie en zelfs diensten te versluizen naar lageloon-landen hangt als een zwaard van Damocles over de werknemers. Een gevolg is echter dat de positieve gevoelens tegenover internationalisering in de VS beginnen te kenteren. Volgens een peiling in opdracht van Pipa (Program on International Attitudes) vond nog 40% van de Amerikanen internationalisering een goede zaak, 13% minder dan in 1999. En volgens een recente Gallup-poll vindt 81% van de Amerikanen dat de immigratie in de VS “uit de hand loopt”. “Als het aandeel van de arbeid daalt ten opzicht van het aandeel van kapitaal, krijg je een stijging van het economisch nationalisme”, zegt HSBC-economist Stephen King. “Dat is een democratisch antwoord op internationalisering”. De vakbonden zijn het luidst in hun verzet tegen internationalisering. “Het is een mythe dat internationalisering meer welvaart heeft gecreeerd”, zegt Stewart Acuff, een directielid van de vakbondsfederatie AFL-CIO. “Neem Nafta, het vrijhandelsverdrag met Mexico en Canada. Dat verplichtte de Mexicaanse regering om haar subsidies aan boeren die mais en bonen kweken stop te zetten. Gevolg: de productie van bonen en mais daalde en veel arbeiders konden niet genoeg meer kopen om te overleven. Wat doen ze? De grens oversteken naar Amerika natuurlijk. In de voorbije jaren zijn overigens honderden fabrieken verhuisd van Mexico naar China, waar de lonen 60 cent in plaats van 2 dollar per uur bedragen. Het is een koers naar omlaag; hoe zou de welvaart daardoor kunnen stijgen?”
Dat de Mexicaanse immigratie scherp is gestegen kan ik met mijn eigen ogen zien. In mijn stadsdeel zijn hele buurten in enkele jaren tijd veranderd in Mexicaanse dorpen. Ik kan er geen kwaad woord van zeggen maar natuurlijk zijn er mensen die zich ongerust maken. In het Congres zijn er momenteel felle debatten over een verstrenging van de immigratiewetten. Die lokten betogingen uit van honderdduizenden immigranten die op hun beurt giftige tegenreacties opriepen. Het ziet er naar uit dat immigratie en economisch nationalisme –zeg maar protectionisme- in de komende jaren de heetste hangijzers in het Amerikaanse politieke debat zullen worden.
Jacqueline Goossens
April 2006