Mijn vriend Stan is niet gelukkig. Dat is al jaren zo maar nu is er een andere reden. Of eigenlijk is het dezelfde: hij en zijn vrouw Jenny hebben geen tijd voor elkaar. Stan is een lasser die in een klein bedrijfje in Brooklyn werkt. Hij verdient er 16 dollar per uur. Zoals in de meeste kleine bedrijven in de VS, krijgt het personeel er geen ziekteverzekering. Jenny studeerde intussen aan de ‘law school’ van Columbia University. De studies waren duur en de huur van hun appartement was ook niet mis. Stan moest vele overuren kloppen om de eindjes aan elkaar te knopen. Hij was meestal hondsmoe als hij ‘s avonds thuiskwam. Maar hij beet op zijn tanden. Als Jenny afgestudeerd zou zijn, zouden hun geldzorgen voorbij zijn. Zo gebeurde het ook. Toen Jenny haar diploma had, kon ze meteen aan de slag bij de Wall Street-firma waar ze stage had gelopen. Haar startsalaris was om achterover van te vallen: 120.000 dollar. Ze verhuisden meteen naar een mooier appartement. Maar de euforie is intussen verdwenen. Stan doet geen overuren meer maar toch ziet hij Jenny nog veel minder dan vroeger. Een werkweek van 80 of 90 uren is voor haar geen uitzondering. Als ze ‘s avonds thuiskomt is ze hondsmoe. “Onze relatie gaat achteruit’, zegt Stan droef. “Niet alleen doen we nog nauwelijks iets samen behalve slapen –en dan bedoel ik echt wel slapen- maar uit mijn werk haal ik ook geen voldoening meer. Want ik denk dan: wat sta ik hier te zweten voor een paar dollars, terwijl mijn vrouw in haar airco kantoor twintig keer meer verdient? Ik zou kunnen stoppen maar wat doe ik dan met mezelf?”
Het enige uitzonderlijke aan hun situatie is dat de loonkloof zich binnen hun gezin situeert. Niet alleen daar maar in heel de VS is die kloof in de afgelopen jaren veel breder geworden. Het minimumloon staat al jaren op 5,15 dollar. De hoogste salarissen stegen intussen duizelingwekkend. Op het eerste zicht is die kloof het normale gevolg van de wet van vraag en aanbod. Onderaan de sociale ladder is er een overaanbod van arbeidskrachten. De liberale immigratiepolitiek van de VS, de uitholling van de industrie en het groeiend gemak waarmee bedrijven naar lageloon-landen verhuizen, zetten een domper op de lonen. Gevolg: het modale reele loon is vandaag niet hoger dan in 1973, hoeveel de arbeidsproductiviteit intussen ook gestegen is. Hoe hoger je klimt op de sociale ladder, hoe meer je salaris bepaald wordt door wat het ‘star system’ wordt genoemd. Net zoals de ster-atleten van baseball en football astronomische wedden krijgen omdat hun talent en populariteit hun club grote winsten oplevert, rijven de sterren onder de marketing-specialisten, software-ontwerpers, bedrijfsadvocaten en vooral CFO’s en CEO’s gigantische salarissen binnen. De reden is –in principe- dezelfde: ze leveren hun ‘club’ veel winst op. “Het is toch logisch”, zei John Snow in een interview met de Boston Globe net voor hij ontslag nam als minister van Financien, “Hoe meer je waard bent voor een bedrijf, hoe meer je betaald wordt. De loonkloof is een gevolg van ons systeem van ‘aspirationele compensatie’. De markt regeert en dat maakt ons systeem zo dynamisch”.
Over dynamiek gesproken. In 1980 verdiende de modale CEO 42 keer meer dan de modale werknemer. In 1990 verdiende hij 107 keer meer en vandaag 431 keer meer (11,8 miljoen tegenover 27 460 dollar). Het gevolg is dat een steeds groter deel van het nationaal inkomen naar een steeds kleinere bevolkingsgroep gaat. Het rijkste 10 procent van de bevolking zag zijn aandeel in het nationaal inkomen in het laatste kwart eeuw groeien van 30,5 naar 37,2 procent en het rijkste een procent van 9,3 naar 14,3 procent. Of dit een gezonde dynamiek is voor de toekomstige economische groei is voor discussie vatbaar.
In theorie koppelt het ‘star system’ het salaris van de CEO aan de prestaties van het bedrijf maar in praktijk wordt daar heel vaak van afgeweken. Het is wel meestal zo dat zijn wedde stijgt als de aandelen van zijn bedrijf dat ook doen maar het omgekeerde is zelden het geval. Hoe goed werkt het ‘star system’ voor de aandeelhouders?
Glass Lewis & Company, een firma die aandeelhouders adviseert, heeft het onlangs uitgevlooid. Na een grondige doorlichting van de Amerikaanse bedrijfswereld concludeerde ze dat vele bedrijfsleiders zichzelf zo rijkelijk bedienen dat de aandeelhouders er wel degelijk de dupe van zijn. Het gaat hier niet over crimineel corrupte bedrijfsleiders zoals deze van Enron of Worldcom. Die zijn maar het topje van de ijsberg. Daaronder heb je vele andere bedrijven waarvan de CEO’s –volkomen legaal- bergen geld incasseren terwijl de bedrijfsinkomsten en aandelen tuimelen. Bij de 25 meest extreme gevallen in de lijst van Glass Lewis bedroeg het gemiddeld jaarinkomen van de CEO in 2005 16,7 miljoen dollar, terwijl het gemiddelde netto-bedrijfsinkomen dat jaar met 25 procent en de aandelen met 14 procent zakten. In die bedrijven bedroeg de vergoeding van de CEO 6,4 procent van de bedrijfsinkomsten. Dat laat een pak minder over om te investeren. De aandeelhouder merkt wel degelijk een verschil.
Er zijn ook helden in Glass Lewis’ rapport, bedrijven die het ‘pay for performance’-principe eer aandoen. De bedrijfsleiders van Google bijvoorbeeld, trekken een jaarwedde van 1 dollar en premies van minder dan 2000 dollar. Maar de miljarden dollars aan aandelen die ze in hun bedrijf bezitten maakt hun ‘onbaatzuchtigheid’ wel gemakkelijk. En moeilijk om na te volgen. Een realistischer voorbeeld is de Titanium Metals Corporation die wel eens de anti-Exxon wordt genoemd vanwege de gematigdheid van haar hoogste wedden. Vorig jaar stegen de aandelen van het bedrijf vijfvoudig maar de CEO stelde zich tevreden met een salaris van 606.654 dollar. Alles behalve een hongerloon maar hoogst bescheiden naar Amerikaanse normen. Bij de 25 bedrijven waar de link tussen CEO-wedde en bedrijsprestaties volgens Glass Lewis het duidelijkst was, trok de CEO een gemiddeld inkomen van 4,4 miljoen dollar terwijl de netto-bedrijfsinkomsten met 40 procent stegen en de aandelen bijna net zoveel. De CEO-wedde bedroeg er slechts 0,2 procent van het bedrijfsinkomen. ‘Dat geld is goed besteed’, zullen de meeste aandeelhouders van die bedrijven wellicht gedacht hebben.
Maar de aandeelhouders van de bedrijven die wel door hun eigen CEO’s gepluimd worden, is het geen tijd dat die in opstand komen? Het is af te wachten of het rapport van Glass Lewis op dat vlak een invloed zal hebben. Voor de grote institutionele investeerders bevat het natuurlijk niets nieuw. Het is dan ook een beetje raadselachtig dat je hen nooit kritiek hoort geven op buitensporige CEO-compensatie. Zij hebben de stemmen, zij zouden het kunnen beletten. Zou het kunnen dat de ‘big money managers’ niet happig zijn om een trend in gang te zetten die hun eigen astronomische wedden in vraag zou stellen?
Oktober 2006