Loontaart

Stel u mijn New Yorkse wijk voor als een halve bruidstaart met vier lagen. Beneden aan de voet van de heuvel staan kleine winkeltjes en huizen en lage flatgebouwen,waar sommige van de armste New Yorkers opeengepakt leven: gezinnen aan de bijstand, Aids-patienten, drugverslaafden, ex-psychiatrische patienten, nieuwe legale en illegale immigranten. Mijn bescheiden huis staat op de tweede verdieping van de taart. Mijn levensgezel is mijn enige huisgenoot. In de ogen van veel mensen onder ons zijn we waarschijnlijk stinkend rijk. In hun laag van de taart zijn drieslaapkamer-woningen zoals de onze veel dichter bevolkt. Vaak wonen er tien of meer Mexicaanse arbeiders die zich met hun loon van 5,15 dollar per uur -het officiele minimumloon- niet meer kunnen veroorloven dan een enkele kamer en soms maar een halve. De bedienden, verpleegsters, geschoolde arbeiders en kunstenaars die in mijn straat wonen, zijn verre van rijk maar verdienen genoeg om hun soliede, eenvoudige houten huizen niet met andere gezinnen te hoeven delen. Ze zijn leden van wat in Amerika de ‘lower middle class’ wordt genoemd. In dollars betekent dit iedereen met een jaarinkomen tussen 25.000 en 55.000. Neem van mij aan dat je daar absoluut geen zotte dingen kunt mee doen in New York. Maar laat me u verder heuvelopwaarts meenemen naar de derde laag van de bruidstaart. Ons bijzonder actief buurtcomite, de 'Mud Lane Society' of 'Modder Weg Societeit' houdt daar vandaag een opendeurdag. Die 'Modder' in haar naam komt van de bijnaam die de hoofdweg in onze wijk had in de tijd toen het nog een slijkerige karrewegel was waarlangs Hollandse boeren met namen als De Groot en Van Duzer naar hun akkers trokken. De hoofdweg heet nu St.Paul’s Avenue. Er is veel volk op straat. Met een plannetje in de hand trekken we allemaal van het ene huis naar het andere.Er zijn er twintig in totaal die de bewoners vandaag open stellen voor het publiek. Ik wou dat ik u ze kon laten zien. Hoewel mijn eigen huis op slechts een steenworp van St Paul’s Avenue ligt -en dan hoef je niet eens ver te werpen-, waan ik me in een totaal andere wereld. Elk woning is een zorgvuldig gerestaureerde, met antiek volgestouwde Victoriaanse villa van rond de jaren 1850. Ze hebben elegante balkonnen met zicht op de skyline van Manhattan en ruime voor- en achtertuinen. Ik tel zes, acht en in twee huizen zelfs tien slaapkamers. Elke villa is bewoond door slechts een gezin, sommige zonder kinderen. Aan een huis hangt een "For Sale"-bordje. Ik informeer bij de eigenaar naar de prijs: 750.000 dollar. (Slik) nee dank u. Misschien in mijn volgend leven als ik gereincarneerd ben als lid van de ‘upper middle class’, de laag die een jaarinkomen heeft tussen 55.000 en 200.000 dollar. Terug thuis en nog wat duizelig van al dat vlakbij en toch zo onbereikbaar moois staar ik door mijn zolderraam naar de huizen die op de vierde en hoogste laag staan te pronken. Het weidse uitzicht vanop de heuveltop over de baai van New York en Manhattan is duizelingwekkend. De marktwaarde van de huizen is dat ook: een tot twee 2 miljoen dollar. Wie zich zo’n kast kan veroorloven is lid van de 'upper class' in Amerika. Vanaf een jaarinkomen van 200.000 dollar is men een bescheiden lid van die club. Voor de 40 procent van de Amerikaanse belastingbetalers die moet zien rond te komen met een modaal jaarinkomen van 21.000 dollar, is dat een fortuin. Maar wat is 200.000 dollar in Amerika? Een habbekrats. De rijkste 1 procent van de Amerikanen zou hun neus ophalen voor de duurste, hoogst gelegen villa’s in mijn wijk. Met hun gemiddeld jaarlijks netto-inkomen van 862.700 dollar kunnen ze zich wel iets opulenter veroorloven. Om nog te zwijgen van de allerrijksten zoals Bill Gates die volgens Forbes Magazine met zijn fortuin van 46 miljard dollar de rijkste van het land is. Daarnaast is onze burgemeester Michael Bloomberg, de vijfde rijkste man van New York die voorlopig 4,9 miljard dollar heeft vergaard, een armoezaaier. Wat een contrasten! Je zou voor minder een revolutie beginnen stoken. De laatste weken hebben mijn vuisten weer verschillende keren gejeukt. Er was het schandaal rond Dick Grasso, de baas van de New Yorkse beurs, die zeer verwonderd was dat sommigen zijn salaris van 140 miljoen dollar voor vier jaar lichtjes overdreven vonden. Deze week alleen al zitten drie New Yorkse topmanagers in de beklaagdenbank wegens gesjoemel met honderden miljoenen dollar. En nog deze week werd bekend gemaakt dat het aantal Amerikanen dat in armoede leeft in het afgelopen jaar met 1,7 miljoen is gestegen.34,6 miljoen Amerikanen leven nu onder de armoedegrens. Een gezin van vier wordt in de V.S. als arm beschouwd als zijn inkomen minder dan 18.392 dollar bedraagt. Volgens hetzelfde officiele rapport steeg het aantal mensen zonder ziekteverzekering vorig jaar met 2,4 miljoen mensen. Er zijn nu 43,6 miljoen onverzekerden. 20 miljoen daarvan zijn voltijdse werknemers -leden van de 'lower middle class', wiens werkgevers de stijgende kosten van ziekteverzekering niet meer kunnen of willen dragen en die niet genoeg verdienen om zichzelf te verzekeren. Alles wijst er op dat hun aantal nog zal toenemen. In 1980 verdiende een Amerikaanse topmanager 42 keren meer dan een fabrieksarbeider. In 2000 verdiende hij 419 keren meer. Als het loon van de modale productiearbeider evenveel zou gestegen als dat van de modale manager dan zou hij nu meer dan 100.000 dollar verdienen in plaats van 29.000 dollar. En mijn hardwerkende Mexicaanse buren onder aan de heuvel die nu vaak zes dagen per week als keuken- of tuiniershulpjes werken, zouden 22,08 dollar per uur verdienen in plaats van het miserabele minimumloon dat de federale overheid al 7 jaar na elkaar weigert te verhogen.

Jacqueline Goossens

Oktober 2005