EEN (NIET ZO) KORT VERHAAL

Sean lacht schamper als ik hem vertel waarover ik met hem wil praten. “Je gaat iets schrijven over het sociaal overleg in de VS? Dat zal wel een heel kort stukje worden.” Ik ken Sean Sweeney al jaren. We wonen ongeveer even lang in Amerika en we hebben beiden nog steeds stevige roots in Europa. Sean komt uit Bath in Engeland. Hij was er actief in de vakbeweging. Hij leerde er een Amerikaans meisje kennen en van het een kwam het ander. In de loop der jaren zag ik met plezier zijn academische carriere openbloeien in New York. Tegenwoordig is Sean directeur van het Global Labor Institute van de School of Industrial Relations van Cornell University, waar hij ook doceert. Hij is medewerker van het EIRO (European Industrial Relations Observatory) dat om de twee jaar een studie verricht waarin de ‘industriele relaties’ en dus het sociaal overleg in de EU, Japan en de VS worden vergeleken. Dat en het feit dat hij goedgebekt is, maakte hem in mijn ogen de geknipte persoon om te vragen hoe het met dat overleg in de VS gesteld is. Het was toen dat hij voorspelde dat mijn stukje kort zou worden.

“Want sociaal overleg bestaat hier nauwelijks”, zei Sean. “Op nationaal vlak bestaat er geen enkele structuur waarin de overheid, werkgevers en de vakbonden met elkaar praten over lonen, pensioenen of wat dan ook. Er zijn geen werkgeversorganisaties die overkoepelende akkoorden afsluiten. CAO’s zoals men die in Europa heeft voor een hele sector zijn hier een zeldzaamheid geworden. Alleen in de overheidssector worden er nog akkoorden afgesloten op stads- en staatsniveau. Voor de rest is het versnippering troef. Vroeger had je in sectoren waar de vakbonden sterk waren zoals in de auto-industrie nog ‘pattern’-akkoorden, waarbij een akkoord dat de vakbond afsloot met een bedrijf door de hele sector werd overgenomen. Maar dat berustte op een ‘gentlemen’s agreement’ die intussen verwaterd is. Voor zover er nog groepscontracten worden afgesloten, gelden die voor steeds kleinere categorieen van werknemers. Maar slechts 17 procent van de werknemers zijn beschermd door een collectieve arbeidsovereenkomst. In de meeste bedrijven is er geen vakbond en geen enkele vorm van sociaal overleg, tenzij het bedrijf zelf er het initiatief toe neemt, wat zelden gebeurt. Zonder collectief contract kan elke werknemer zonder reden op staande voet ontslagen worden. Het bedrijf moet zich natuurlijk wel houden aan de arbeidswetten. Het mag niet minder betalen dan het minimumloon –dat nu slechts 5,15 dollar bedraagt waarmee je niet kunt overleven maar binnen twee jaar zou er twee dollar bijkomen- en moet arbeidsuren boven de 40 uur per week 50 procent meer betalen. Voor de rest zijn er weinig restricties. Op de naleving van de arbeidswetgeving wordt gewaakt door de NLRB (National Labor Relations Board). De vijf leden van de raad worden benoemd door de president en als die een Republikein is –wat sinds 1980 op acht jaar na het geval was- is de meerderheid Republikeins en dus pro-business. Onder Clinton besliste de NLRB dat tijdelijke arbeidskrachten zich mochten aansluiten bij een vakbond maar Bush’ NLRB maakte die beslissing weer ongedaan. De NLRB plaatste ook bijna alle witte boorden onder de noemer van ‘toezichthoudend personeel’ waardoor hun overuren niet extra hoeven betaald te worden.”

Hoe gebeurt het overleg in bedrijven waar de vakbond wel aanwezig is?

Sean: “Ook daar zijn er zelden gemengde commissies om geschillen op te lossen of om over veiligheid en gezondheid te waken. Wel mag een werknemer enkel gesanctionneerd worden in het bijzijn van zijn vakbondsafgevaardigde. Als een werknemer vindt dat hij onterecht bestraft is of een andere beslissing wil aanvechten, kan hij in beroep gaan, eerst binnen het bedrijf en daarna in arbitrage voor de NLRB. De vakbond kan hem daarin steunen, wat niet altijd gebeurt. Zonder vakbondssteun moet de werknemer zelf een advocaat huren om zijn zaak te bepleiten, wat velen niet kunnen betalen.”

Hoe komt het dat de Amerikaanse vakbonden zoveel pluimen verloren hebben?

Sean: “De vakbonden zijn zowat overal in het defensief maar in de VS is hun achteruitgang wel spectaculair. In 1955 was 35 procent van de werknemers aangesloten bij een vakbond, vandaag nog 12,5 procent. In de privé-sector bedraagt de syndicalisatiegraad nog geen 8 procent. Als je weet dat hij in staten als New York en Californie nog ruim 20 procent bedraagt, kun je nagaan dat de vakbonden in sommige staten een met uitsterving bedreigde diersoort zijn. De achteruitgang was geleidelijk tot de jaren 1980. Toen president Reagan de vakbond van de verkeersleiders buiten de wet plaatste, zette hij het licht op groen voor een anti-vakbondsoffensief dat nog steeds voortduurt. In diezelfde periode begon een de-industrialisatie die vooral die sectoren trof waar de vakbonden het sterkst waren. Het zwaartepunt van de vakbeweging lag in de industrie, nu nog goed voor 17 procent van de tewerkstelling. De vakbonden zochten compensatie in andere sectoren, tot nu toe zonder veel sukses. De vraag hoe ze hun achteruitgang kunnen stelpen, obsedeert de vakbonden. In 2005 leidde ze tot een scheuring, toen acht van de grootste vakbonden zich uit de overkoepelende federatie AFL-CIO losrukte. De nieuwe federatie, Change to Win, wil alles op groeien zetten. Het feit dat de AFL-CIO alles samen zo’n 300 miljoen dollar investeerde in de campagne van de Democratische presidentskandidaat John Kerry –met het bekende resultaat- was niet vreemd aan die beslissing.”

Wat mij verbaast, is hoe hevig de anti-vakbondsgevoelens zijn in de Amerikaanse bedrijfswereld, hoe ver sommige CEO’s gaan om de vakbond buiten te houden. En dat terwijl de vakbonden hier toch alles behalve radicaal zijn. Ze staken hoogst zelden en lijken altijd bereid tot loonmatiging. De lonen zijn de laatste vijf jaren gedaald, terwijl de productiviteit en de winsten stegen…

Sean: “Als een vakbond probeert om een bedrijf te syndicaliseren –wat wil zeggen dat de meerderheid van de werknemers lid wordt van de vakbond wat het bedrijf verplicht om met de vakbond te onderhandelen- dan wordt de directie benaderd door consultants die hun diensten aanbieden om de vakbond te weren zodat ze niet hoeven te onderhandelen. Er zijn tal van firma’s gespecialiseerd in het saboteren van vakbondscampagnes met legale en extra-legale middelen. Dat ze floreren heeft soms alleen te maken met machtslust. Sommige bedrijven besteden veel meer aan anti-vakbondscampagnes dan wat ze in onderhandelingen met de vakbond zouden moeten afstaan, alleen maar omdat ze hun macht niet willen delen. Maar er is meer natuurlijk. Het is waar dat een vakbond de kosten van de werkgever doet stijgen. Dat komt omdat de sociale zekerheid in de VS zo minimaal is. Het omvat basis-medische zorg voor de armsten en de bejaarden en verder een basis-pensioen, te klein om van te leven. In dezelfde periode waarin West-Europa haar sociale zekerheid uitbouwde, stelde president Truman voor om het gros van pensioenen en ziekteverzekering te laten bepalen door overleg tussen werkgevers en vakbonden. De vakbonden vonden dat geweldig, want zo zouden werknemers voor hun pensioenen en ziektezorg afhankelijk zijn van hen. Maar dat bleek een tweesnijdend zwaard. De pensioenverplichtingen en ziekteverzekeringskosten drukken zwaar op vele bedrijven. Vooral deze laatste stegen de laatste jaren astronomisch. De vakbonden kunnen niet anders dan in te geven op lonen in de hoop om de pensioenen en ziekteverzekering veilig te stellen. Maar die inschikkelijkheid maakt hen niet bepaald populairder bij werknemers en bemoeilijkt hun groei.”

Sean vertelt me nog veel meer. Hij voorspelt een nieuwe recessie dit jaar en vraagt zich af hoe dit de status-quo zal aantasten. Een van zijn voorspellingen is alvast niet uitgekomen: zo kort is dit stukje niet geworden.

Januari 2007