“Een dolk op de keel van de ongeschoolden”. Zo omschreef econoom Jagdish Bhagwati het effect van globalisering en informatie-technologie op de Amerikaanse arbeidsmarkt. On- en laag-geschoolde arbeiders in de hoog-ontwikkelde landen moeten er zich volgens hem bij neerleggen dat ze niet kunnen concurreren tegen hun collega’s in de lage-loonlanden. Ze staan voor de keuze: zich herscholen of verzuipen. Hetzelfde lot dreigt voor miljoenen werknemers die zich beschermd wanen door hun opleiding. Het aanbod van beter geschoolde arbeidskrachten in landen als China en Indie wordt steeds groter. Forrester Research voorspelt dat in de technologische dienstensector alleen al 3,3 miljoen Amerikaanse banen in de komende tien jaar naar het buitenland zullen gaan. Voor de kapitaalbezitter wordt het steeds gemakkelijker om te kiezen waar hij zal investeren. De som van die keuzes zal volgens Bhagwati beslissen welk deel van de wereld -Noord-Amerika, West-Europa of Zuid-Azie- economisch het sterkst en welvarend zal zijn in de 21ste eeuw. Meer en meer zal ze bepaald worden door de vraag welke landen het best opgeleide arbeidspotentieel bieden.
Hoe doet Amerika het op dat vlak? Het hangt ervan af aan wie je het vraagt. Jim, een kennis van me die bij IBM werkt, is enthousiast. “Bij ons is je opleiding nooit af”, vertelt hij, “elk jaar zijn er seminaries en ‘learning labs’ waar we nieuwe dingen bijleren en ervaringen uitwisselen. Zo blijft het werk boeiend en groeit je vertrouwen in je capaciteiten. Het is een van de redenen waarom ik er nooit aan gedacht heb om naar ander werk uit te kijken.” Behalve technische vorming kreeg Jim ook training in ‘klantvriendelijkheid’, ‘business etiquette’,‘diversiteit’ en ‘werkrelaties’. Die laatste twee onderwerpen zijn een must voor grote bedrijven en dienen vooral om dure gerechtszaken over raciale en seksuele discriminatie te voorkomen. IBM geeft van alle Amerikaanse bedrijven het meest uit aan personeelsopleiding: ruim 700 miljoen dollar per jaar. De modale IBM-werknemer is er 54 uren per jaar mee bezig. Lorraine, een jonge vrouw uit mijn buurt, is minder tevreden over haar opleiding. Toen ze werkloos werd, diende ze een aanvraag in bij het ‘One Stop Center’ (de werkloosheids- en herscholingsdienst van het ministerie van Arbeid) voor een opleiding als medische assistent. Die werd goedgekeurd maar halverwege haar opleiding kreeg ze te horen dat er geen geld meer was om haar studies nog te betalen. Ze staat nu voor de keuze: opgeven of geld lenen om zelf de rest van haar opleiding te financieren. “Ik ga het laatste proberen”, zegt ze met een zucht, “maar ik weet niet hoe ik mijn huishuur zal betalen”. “Geschat wordt dat er in de VS tegen 2020 15 miljoen banen zullen bijkomen die een hogere opleiding vereisen”, zegt Kris Stadelman, “maar aan het huidige tempo zal het aantal werknemers met een diploma van het hoger onderwijs slechts met drie miljoen gegroeid zijn. Het is dus niet moeilijk om te begrijpen dat we met een serieus probleem zitten.” Stadelman is de CEO van de Workforce Development Council in Seattle, een bedrijf dat herscholing van werklozen organiseert in overleg met de bedrijfswereld. “Ik hoor het voortdurend van bedrijfsleiders, vakbonsbestuurders en locale overheden: als het zo voortgaat, zal Amerika zijn voorsprong in de globale economie verliezen. Bedrijven die hier niet de hoog-opgeleide werkkrachten vinden die ze nodig hebben, zullen ze elders zoeken”. Nochtans was en is ‘training for the jobs of the future’ een favoriet thema van zowel president Bush als zijn voorganger Bill Clinton. Vooral tijdens hun verkiezingscampagnes praatten ze er graag en veel over. “Het probleem is dat ze de daad niet bij het woord voegen”, zegt Stadelman. “Sedert 1985 zijn de federale uitgaven aan de opleiding van werknemers met meer dan 30 procent geslonken”. Tijdens de laatste jaren zijn die bezuinigingen nog toegenomen onder druk van de oorlogskosten in Irak. “Bush heeft beloofd om het aantal werknemers en werkzoekenden die heropgeleid worden elk jaar te verdubbelen maar in elke begroting maakt hij er minder geld voor vrij”, klaagt Andy Van Kleunen, de directeur van de Workforce Alliance, een lobbygroep die ijvert voor meer investering in de opleiding van werkkrachten. Zijn groep wil dat de regering er per jaar 48 miljard dollar aan uitgeeft, wat bijna 42 miljard meer is dan nu. “De vraag naar herscholing is tien keer hoger dan het aanbod. In Washington zien ze die uitgaven nog steeds als een vorm van sociale dienstverlening in plaats van een investering in de toekomst”, zegt Van Kleunen. Hij ziet een lichtpunt: de regering verhoogde in haar laatste budget haar steun aan de ‘community colleges’ met 250 miljoen dollar. De community colleges, een unieke Amerikaanse institutie, zijn de werkpaarden in de heropleiding van het arbeidspotentieel in de VS. Ze worden grotendeels door de locale overheden gefinancieerd. Men kan er relatief goedkoop –vaak voor minder dan 3000 dollar per jaar- studeren voor een bachelor-diploma (kandidaturen) of er een hogere beroepsopleiding volgen. Voor dat laatste werken de community colleges steeds meer samen met de bedrijven van hun regio. Die samenwerking is volgens Van Kleunen een groot sukses. Maar de community colleges kampen met serieuze problemen. “Vaak gebeurt het dat werklozen hun studies moeten opgeven omdat ze geen uitkeringen meer krijgen”, zegt Martin Lancaster, de president van de community colleges van North Carolina, “anderen moeten full time werken terwijl ze studeren om de kinderoppas te betalen en mislukken omdat de combinatie hen te veel wordt”. De community colleges lijden ook onder de dalende kwaliteit van het lager en middelbaar onderwijs op vele plaatsen. Uit een recent rapport van het onderwijsministerie blijkt dat slechts 31 procent van de college-studenten in 2003 in staat was om een complexe Engelse tekst te lezen -9 procent minder dan in 1992. 14 procent kon alleen korte simpele teksten lezen en 3 procent -800 000 studenten- kon zelfs dat niet. Dat betekent dat de colleges veel tijd en energie moeten besteden om hun studenten te leren deftig te lezen en te schrijven alvorens ze een serieuze beroepsopleiding kunnen aanvatten.
De tekortkomingen van de overheid hebben voor gevolg dat de bedrijven zelf zwaar moeten investeren in de opleiding van hun personeel. Volgens het vakblad Training Magazine hebben ze er in de laatste 15 jaar minstens 43 miljard dollar per jaar aan besteed. In 2004 werd er 51,4 miljard aan uitgegeven. Het blad noteert dat de uitgaven op en neer gaan met de conjunctuur. Dat is verre van ideaal: in de goede jaren hebben ze het te druk voor vorming, in de slechte jaren wordt er op bezuinigd. En zo is het altijd wat. De vooruitzichten zouden eerder somber zijn voor Amerika, als het niet nog een formidale pijl in zijn koker had: brain-import. Zo lang Amerika haar reputatie van beloofde land kan hoog houden, blijven ze van overal toestromen: dokters uit India, verpleegsters uit de Filippijnen, machinebouwers uit Duitsland, computer-nerds uit alle hoeken van de wereld. Mijn kapper is een Taiwanees en mijn veearts komt uit Nigeria, alsof er daar geen zieke beesten meer zijn. Niet dat hij hier niet welkom is. Dit is een land waar men zich makkelijk integreert en Amerika maakt daar volop gebruik van. Laat andere landen maar investeren in opleiding en vorming, lijkt het te denken, wij zullen de vruchten wel plukken. Hier in New York specialiseerde het Manhattan community college zich in het opleiden van Amerikanen om buitenlanders met een werkvisum te vervangen. Dat programma wordt dit jaar stopgezet. De regering wil er niet meer voor betalen.
Jacqueline Goossens
Januari 2006