In ‘Goddelijke monster’ van Tom Lanoye loopt er een figuur rond die ervan droomt om in New York in een luxe-flatgebouw met een ‘doorman’ te wonen. Sinds ik hier woon, heb ik al behoorlijk wat echte karakters –Amerikanen en buitenlanders- ontmoet die dat verlangen delen. Zelf heb ik het nooit gehad. Gelukkig, want het heeft nooit in mijn bereik gelegen. Mijn keuze was altijd beperkt tussen een bescheiden buurt of mijn schop afkuisen. Dat heeft meer dan een voordeel gehad. Zo heb ik de afgelopen jaren meer bijgeleerd over de oorzaken en gevolgen van racisme en armoede in Amerika dan wat ik aan de beste universiteit had kunnen opsteken. Het lot van de armsten in New Orleans en de rest van het zuiden waar Katrina toesloeg, schokt me maar verbaast me niet. De beelden bevestigen wat ik al lang weet. Diegenen die de macht hebben in de wereld geven geen fluit om de armsten. In Amerika is dat nog duidelijker dan elders. En in New Orleans, een stad waar de rijken op Mardi Gras letterlijk met geld smijten en 28 procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft (of leefde, want voorlopig bestaat New Orleans niet meer) nog meer dan hier. De meeste toeristen die de mooie stad bezochten, merkten weinig of niets van die massale armoede. Zoals in zoveel steden moet je ervoor naar de uitgerafelde randen trekken, de wijken die reisgidsen niet vermelden. In New Orleans kan je ze nu makkelijk vinden: het zijn de stadsdelen die het meest overstroomd zijn. Dat de armsten het meest bedreigd waren, was bekend. Dat de meesten van hen geen auto hadden, was ook geweten. Toch was New Orleans’ enige evacuatieplan: “spring in je auto en rij weg’. Wie geen wagen of geld had of te ziek was, kon verdrinken.
Ook in het rijke New York zijn meer dan een miljoen armen weggeduwd in desolate blokken, vaak met uitzicht op drukke wegen en industrie verspreid over de vijf stadsdelen. Je ziet ze niet als toerist tenzij je bijvoorbeeld het lawaaierige pad neemt tussen de FDR-autoweg en de East River. Als je door de ons omringende staten rijdt, kun je met enige planning een route nemen die de meest pronkerige villadorpen afwisselt met de meest deprimerende ghettosteden. Rij door Moore County in North Carolina waar het beroemdste golftornooi van Amerika doorgaat. Je vindt er 43 golfterreinen, ‘wellness’-centra, country clubs en nieuwe villa’s van 2 miljoen dollar en meer. Maar terwijl projectontwikkelaars als gek aan het bouwen zijn in Amerika’s golfparadijs, zijn er vlak daarnaast hele buurten zonder riolering, politiebewaking, vuilnisophaal of stromend water. Deze (zwarte) derdewereld-dorpen liggen naast of zijn helemaal omringd door welvarende (blanke) gemeenten die hun grenzen zo getrokken hebben dat de armenbuurten er buiten vallen. ‘Municipal underbounding’ heet dat en het gebeurt in heel Amerika maar vooral in het zuiden. In Ohio won zo’n zwart dorp in 2003 een proces tegen de omliggende blanke gemeente zodat het eindelijk stromend water kreeg. Maar op het platteland in Louisiana, Alabama en Mississippi zitten veel zwarten nog steeds te sukkelen zonder elementaire voorzieningen. Een mens denkt, het zou bij mij geen waar zijn. Ik zou godverdomme nogal van mijn oren maken als ik als in het rijkste land ter wereld de vuilniskar elke week mijn huis zou zien voorbijrijden zonder te stoppen of als ik mijn putwater zou moeten koken om ervan te drinken terwijl ik door mijn venster in villa’s kijk waar ze de kraan maar hoeven open te draaien. Was het maar zo simpel. Verleden week poseerden twee kandidaat-burgemeesters voor nr. 305 in West 150th Street, een flatgebouw in Harlem dat al jaren bekend staat als een hellegat. ‘Als u voor ons stemt’, zegden de politiekers, ‘zullen we de boel hier opkuisen, zeker weten’. Gaten in vloeren, muren en plafonds waarlangs ratten, muizen en kakkerlakken binnenglippen, lekkende waterpijpen, kapotte sloten en brievenbussen, gebrekkige verwarming en liften die niet werken. De eigenaars hebben al meer dan 350 verwittigingen van de stad genegeerd maar mogen blijven huisbaas spelen. Een mens denkt opnieuw, als ik daar zou wonen, ik zou nogal keet schoppen. Ik weet het, als geschoolde blanke vrouw die een beetje haar weg kent in het systeem en nog nooit in dergelijke ellende heeft geleefd, is het gemakkelijk om te fantaseren hoe ik me zou verzetten en mijn medebewoners zou aansporen om dat ook te doen. De werkelijkheid is hard. Een arme mag beleefd om hulp vragen maar keet schoppen wordt niet gewaardeerd. “Ik heb niets tegen armen of vreemdelingen”, zei de echtgenote van een Belgische bedrijfsleider me onlangs, “zolang ze zich maar rustig gedragen zoals wij.” Een goede arme is een onzichtbare arme. Het probleem is dat de ellende zich steeds moeilijker laat verstoppen. Hoe meer we proberen wegkijken naar lekker eten en drinken, mooie tuinen, mooie huizen, mooie kleren, mooie lijven en mooie reizen in exotische paradijzen zoals Phuket of Bali of New Orleans, hoe moeilijker het wordt.
6 september 2005