Met hun zilveren haar en diepgerimpelde voorhoofden zien ze er uit wat ze zijn: drie goed geconserveerde opa’s van in de tachtig. Ze klinken vriendelijk. Mochten ze uit de tv in mijn woonkamer stappen, ik zou zonder aarzelen zeggen: ‘zet u bij en eet iets mee’. De tafel staat gedekt, het eten is bijna klaar. Maar ze zijn niet mijn gasten, wel die van het tv-journaal dat onze dagelijkse portie aanslagen al heeft afgewerkt. De drie grijsaards zien er tevreden uit, alsof het hun verjaardag is. En dat is het in zekere zin ook. Zestig jaar geleden bemanden ze de B-29 die de atoombom ‘Fat Man’ op Nagasaki gooide. Ze hebben er geen spijt van, zeggen ze bedaard, ze zouden het vandaag opnieuw doen. Een van hen voegt er aan toe: “maar ik ril als ik er aan denk wat er zou gebeuren als terroristen zo’n wapen zouden bemachtigen. Dat zou afschuwelijk zijn.” ‘Inderdaad’, zeg ik tegen het tv-scherm dat intussen reclame voor Viagra spuit, ‘maar het zou niet erger kunnen zijn dan wat jullie al gedaan hebben.’
Zo afschuwelijk was het dat het niet mocht gezien worden. Geen journalist mocht zuid-Japan nog binnen nadat de bommen waren gevallen. Twee deden het toch. Een publiceerde zijn verhaal in Engeland; het werd door Washington afgewimpeld als “Japanse propaganda”. De reportage van de andere werd verboden door de Amerikaanse censuur. De journalist stierf aan kanker en zijn stuk werd vergeten. Vorige zomer vond zijn zoon een copie van de reportage. Hij verkocht ze aan een Japanse krant omdat de grote Amerikaanse media er geen belangstelling voor hadden. Er waren ook beelden van de verwoesting van Hiroshima en Nagasaki maar die mochten jarenlang niet getoond worden. Ze waren niet gemaakt door journalisten maar door het leger voor eigen gebruik. Nu zijn die films vrijgegeven maar de grote Amerikaanse tv-netten willen ze niet uitzenden. Een enkele journalist was ‘ingebed’, zoals dat tegenwoordig heet, in het nucleair offensief. Dat was William Laurence die, terwijl hij voor de New York Times werkte, ook een salaris trok van de regering. Net als sommige journalisten die tot voor kort geld kregen van de Bush-regering. Als beloning voor zijn nobel werk mocht hij mee aan boord van het vliegtuig dat de Fat Man op Nagasaki dropte. Een snoepreisje, als het ware. Hij beschreef zijn ervaring met religieuze vervoering en kreeg er een Pulitzer voor, de hoogste onderscheiding voor Amerikaanse journalisten.
Zestig jaar later houden de grote Amerikaanse media zich nog altijd strikt aan de officiele versie: de kernbommen hebben de oorlog verkort en zo vele levens gered. Dat Japan zich al wou overgeven voor die bommen vielen, dat de Amerikaanse legerleiders Eisenhower en MacArthur de operatie “militair nutteloos” noemden, dat Japan vooral door de knieen ging omdat het een Russische invasie vreesde, dat dit vooruitzicht ook Washington deed vrezen dat Rusland een deel van Japan zou bezetten, dat de VS hun nucleaire macht wouden demonstreren om Moskou af te schrikken, dat ze twee doelwitten kozen om zowel een uranium- als een plutoniumbom uit te testen, krijgen de kijkers van de vier grote tv-netten niet te horen. Ook Osama BinLaden geloofde dat de Japanse overgave een direct gevolg was van de kernbommen. In zijn speechen heeft hij er herhaaldelijk over gesproken en hij trok er de strategische lessen uit. Zelfs de apologeten van de bom kunnen niet ontkennen dat de strategie er in bestond om in een keer zoveel mogelijk onschuldigen te vermoorden – ruim 95 procent van de meer dan 400 000 slachtoffers die meteen en achteraf in Hiroshima en Nagasaki omkwamen waren burgers- om een politiek doel te bereiken. Hoe was dat anders dan wat Al Qaeda probeert, behalve dat de aanslagen op het WTC en het Pentagon muggebeten waren in vergelijking met wat Amerika deed? De context was anders, dat geef ik toe. In de eindfase van de tweede oorlog, toen er al zo’n vijftig miljoen mensen –vooral burgers- waren omgebracht, leek het misschien wel alsof een paar honderdduizend min of meer er nog weinig toe deed. Toen, en nu opnieuw steeds meer, is een mensenleven niets waard. Vooral niet dat van een ‘vijand’.
Als het over je eigen leven gaat of dat van een geliefde denk je daar natuurlijk anders over. Vraag het maar aan Cindy Sheehan, wiens zoon vorig jaar sneuvelde in Bagdad. Cindy kampeert al enkele dagen zo dicht mogelijk bij de ranch van Bush in Texas. De president is er weer eens op vakantie en Cindy wil er blijven tot hij haar te woord staat. Wat hij niet schijnt te willen. Ze doet het om hem te vragen om zijn troepen terug te trekken, niet uit nieuwsgierigheid. Want ze heeft hem al eens ontmoet, samen met andere familieleden, twee maanden na de dood van haar zoon. Volgens Cindy zei hij toen dat hij zich niet kon voorstellen wat hij zou voelen als een van zijn eigen dochters zou sneuvelen. “Geloof me, u wilt dat niet meemaken”, zei Cindy. “Daar hebt u gelijk in”, gaf Bush toe. Waarop zij antwoordde: “Wel, bedankt om het mij te doen meemaken.” Zou dat die eeuwige grijns van zijn apesnoet hebben geveegd?
11 augustus 2005