SPITSUUR IN BED

“Als ik mijn ogen open en de stilte wegtrekt, neem ik met het ontbijt ook het geluid en de rook naar binnen”, zingt Carlos Varela over Havanna, zijn thuisstad. Al na mijn eerste nacht bij senora Lourdes in Calle 21 in de ooit opulente wijk El Vedado, weet ik precies wat hij bedoelt. Onze kamer, eigenlijk de slaapkamer van de dochter de huizes, heeft geen vensters, enkel houten luiken. Een eenzame hond blaft tot na middernacht. Om vier uur rammelt de eerste bus luid hoestend voorbij. Onder ons venster probeert iemand wat later geduldig een koppige motorfiets te starten. Twee honden keffen verontwaardigd. Een haan kraait in de verte. Ik dwaal van de ene onrustige droom naar de andere. Om zeven uur schiet ik kuchend wakker. De kamer stinkt naar uitlaatgassen. Het spitsuur in Havanna is begonnen. Ons zonnig terras met de sierlijke witte schommelstoelen, weelderige bloemen en uitzicht op een rij knoestige bomen met daarachter een riante villa, lonkt verleidelijk vals. Ook hier stinkt het naar de verbrande olie, diesel en benzine van het vooral door niet-Cubanen zo opgehemelde antieke wagenpark. Senora Lourdes dient zonder verpinken het ontbijt op. Zij is er aan gewend dat in haar eetkamer een vettig verkeersluchtje hangt. New York moet vijftig jaar geleden ook zo gestonken hebben. Elke weekdag rijden een miljoen voertuigen mijn thuisstad binnen maar toch heb ik er mijn keel nog nooit zo toegeknepen gevoeld als hier in het vier keer kleinere Havanna. En toch. De eerste avond al, wandelend door de gebrekkig verlichte straten van Vedado, over afbrokkelende voetpaden met verraderlijk diepe putten langs om verf smekende paleisjes, voel ik dat ik van deze stad zal moeten houden. Na acht dagen ben ik zeker. De nabijheid van de zee, de vele grote en kleine architecturale parels, de wandelgrage stadsbewoners waaronder veel zelfverzekerd uitziende vrouwen, de ononderbroken film die zich dag en nacht afspeelt achter de duizenden openstaande ramen en deuren en het drukke leven op de stoepen: hier kom ik ooit terug. “Zonder de stank en de vervuiling zou ik hier een tijd kunnen wonen”, mijmer ik. Ik zit met Tom op de versterkte muur rond Fortaleza De San Carlos De La Cabana. Het Spaanse fort is een van de vele plaatsen in Havanna waar op dit ogenblik de kunstbiennale loopt. Rechts van ons ligt de blauwe open zee. Voor ons, met de baai tussen ons, kijken we neer op de oude stad. Op de Plaza de la Cathedral is een mis aan de gang. Af en toe wordt het vlot-christelijk Spaans gezang en versterkt gitaargetokkel overstemd door de luid-stompende dansmuziek van passerende ferry-bootjes. Daarachter in de verte, aan de stadsrand, spuwen fabrieken donkergrijze wolken in de rood-gouden zonsondergang. Van over de groene heuvels links drijven twee gigantische pikzwarte rookpluimen ongenadig naar het centrum. Vergeet de schade die ze berokkenen aan de recent gerestaureerde gebouwen van La Habana Vieja, het zijn de longen van de mensen waar ik me zorgen over maak. Ik moet opnieuw aan New York denken dat een halve eeuw geleden nog vol stond met kleine en grote rokende, stomende, stinkende fabrieken. “Is er hier veel asthma?” vraag ik aan Paquito, onze vriend die al heel zijn leven in de stad woont. “Ja”, zegt hij, “dat komt door stof dat overwaait uit Afrika. Vervuiling? Dat heeft er niets mee te maken. Er is geen vervuiling in Cuba.” Hij zegt het op de vurige toon die ik mezelf soms hoor gebruiken als ik New York verdedig tegen wijsneuzerige bezoekers. Ik zeg voorzichtig dat er in New York ook veel asthma is, vooral bij arme kinderen. “De dokters denken dat kakkerlakken, sigaretterook, huisdieren en luchtvervuiling allemaal bijdragen tot het probleem.” Paquito kijkt me aan met een licht-ongelovige blik in zijn grijsblauwe ogen.

Enkele dagen later neemt hij ons mee naar zijn zus Christina. We zouden in Soho kunnen zijn: een moderne flat met grote kamers, hedendaagse kunst aan de witte muren en een duur zwartgekleed internationaal artistiek gezelschap. Christina is een tentoonstellingmaakster die haar tijd verdeeld tussen Cuba, Europa en de VS. Haar man is fotograaf. Zij zijn bij de gelukkigen. Hun leven staat ver van dat van de mensen in de overbevolkte armenwijken die met een verbeten blik in de rij staan voor hun rantsoen rijst of bonen. Zoals haar broer houdt Christina zielsveel van Havanna. Maar voelt ze zich niet beperkt in haar mogelijkheden in een land waar de staat alle informatie controleert, in die mate dat je als individu zelfs geen internet-aansluiting krijgt? “Nee!”, roept ze uit, “Ik kom in de VS voortdurend mensen tegen die veel minder goed op de hoogte zijn van het internationaal kunstgebeuren dan mijn vrienden hier. Informatie wordt hier als iets kostbaar beschouwd, het wordt doorgegeven, gedeeld.” Paquito treedt zijn zus bij. “Het is een mythe dat Cuba geisoleerd is”, zegt hij. “Vraag aan de gemiddelde Cubaan waar Quito ligt en hij zal het weten. Veel Amerikanen zouden met hun mond vol tanden staan.” Daar heeft hij gelijk in. We moeten onze eerste Cubaan die niet weet waar ‘Belgica’ ligt nog ontmoeten.