"Jij moet het wel koud hebben", zegt Tom tegen een jongen in een dikke zwarte wollen overjas. "Heel koud" bibbert hij. We zijn op de Plaza Mayor in Trinidad, een mooi oud stadje in het zuiden van Cuba dat door de Unesco tot World Heritage Site werd uitgeroepen. Het is tien uur 's avonds. Het waait hard. Trinidad ligt op een heuvel van waar je de zee kunt zien. Voor de rovers, smokkelaars, piraten, slavenhandelaars, tabak- en suikerbaronnen die hier in de loop van de afgelopen vijf eeuwen door de smalle straatjes liepen, moet het een droomlokatie geweest zijn. Vandaag kuieren er naast de bewoners vooral toeristen rond. De meesten van hen worden om vijf uur per bus afgevoerd naar de strandhotels van het schiereiland Ancon 16 kilometer hier vandaan. Vandaar dat het nu rustig is op de Plaza Mayor. Zelfs de bedelende kinderen zijn weg. Rustig en koud dus. Twee weken verontschuldigen de Cubanen zich nu al voor de 'frente frio', de koudegolf, die op hun eiland heerst. Koud op zijn Cubaans is een fatsoenlijke Belgische zomer: vooraan in de twintig overdag en veertien, vijftien graden 's nachts. “Voor ons Cubanen is dat ijzig”, zegt de jongen in de wollen jas. “Van waar zijn jullie? Hoe koud is het daar nu?” We raken aan de praat. Joel, zoals hij heet, is pianist. Hij komt net van zijn werk. Met een allerliefste glimlach neemt hij wat later afscheid.
"Hola!" klinkt het de volgende avond uit een donker portiek in de schaars verlichte Calle Maceo. Eerst zie ik niemand staan. "Het is Joel", zegt de stem, "we hebben elkaar gisteravond ontmoet". Pas nu onderscheid ik twee figuren. Is dat een vrouw die hij in zijn armen houdt? Een vrouw in een witte nachtjapon? Joel komt uit het portiek gestapt met een verlegen lachend, heel jong meisje aan zijn hand. "Dit is mijn vriendin Janet", zegt hij. Ze is hoogzwanger. Twee avonden al heb ik nieuwsgierig binnengekeken door de openstaande luiken van het gebouw waar we voor staan. Ooit woonden hier wellicht schatrijke mensen met een leger bedienden. Door de open voordeur zie ik op het einde van de lange gang een binnentuin liggen. Rechts van de gang kijk ik in een zaal met blauwe afschilferende muren waarin een stuk of vijftien jonge zwangere meisjes in schommelstoelen televisie kijken. Links is een even grote zaal met twee rijen bedden zonder dekens. Net als in het huis waar we logeren is er geen glas in de ramen. "De bezoektijd is afgelopen", zegt Joel, "ik loop nog een eindje met jullie mee". Hij zoent Janet. "Tot morgen".
"Is ze ziek?" vraag ik als we wegwandelen. "Nee, maar ze is zestien en alle zwangere meisjes onder de zeventien en vrouwen die een probleemzwangerschap hebben, moeten de laatste vijf maanden in een speciaal tehuis zoals dit doorbrengen." Vijf maanden weg van huis en school? Het lijkt wel een straf. De melancholische blik van de meisjes in de schommelstoelen was me de vorige dagen al opgevallen. "Voelt Janet zich niet eenzaam?" vraag ik. "Soms wel maar ze wordt goed verzorgd en krijgt goed eten" zegt Joel opgewekt. "Waar gaan jullie eigenlijk naar toe?" "Nergens, we zijn zomaar wat aan 't wandelen." "Ik ga naar het verjaardagsfeest van Chango. Hebben jullie zin om mee te gaan?" Waarom niet. We reizen om te leren. Een avondje santeria zal wel niet meer kwaad kunnen dan vijftien jaar bij de nonnen. We hebben Chango trouwens al in Brazilie ontmoet. En op stranden in New York vinden we soms restanten van een ceremonieel offer voor hem of een van zijn collega’s. Chango is een echte macho-god die bliksemschichten slingert en graag speelt met vuur en oorlog. Elke orisha of santeria-god wordt geassocieerd met een katholieke heilige. Een dubbele dosis opium voor het volk dus. Chango’s katholieke alter ego is Sint-Barbara, toevallig ook de parochieheilige van mijn Oostvlaams dorp. Barbara is ook geen doetje. Zij is de heilige der stormen en de patrones van de artilleristen. Op dus naar de fuif voor Chango Barbara!
Een kwartier later staan we voor de casa de santo. Honderden mensen staan op het voetpad te praten. Sommige geven flessen rum door. Enkelen hebben winterjassen aan. Anderen hebben een handdoek of laken rond zich geslagen om warm te blijven. Een oude man heeft een wollen Noorse trui met een rolkraag aan. In de feestzaal is het drummen van jewelste. Met Joel op kop banen we ons een weg tot aan een hekje waarachter een beeld staat van de heilige Barbara. Op haar roodwit gewaad zijn dollars gespeld. Aan haar voeten staan bloemen, kaarsen, schotels met rijst, bonen, groenten en snoep, diverse taarten en fruit. Acht dagen moet dit lekkers hier de mensen hun ogen blijven uitsteken. Wat een zonde. Buiten klinkt tromgeroffel. "De ceremonie begint in de tuin", zegt Joel. Walmende sigaren en sigaretten ontwijkend wringen we ons tot bij een soort hoenderhok. Ook op de tuinmuren en de omliggende daken krioelt het van het volk. Heilige Barbara, bidt voor ons!
Het geroffel op de bata-trommels wordt luider. De muzikanten zingen een traag lied. De aanroeping van de santeria-goden is begonnen. Elegua, de god van de kruispunten, de bewaker van de poorten, de god die alle wegen open en sluit, kortom de superagent, komt eerst aan de beurt. Ik sta onder een hoge mango-boom geprangd tussen honderden lijven. De muzikanten beginnen zich al spelend een weg te banen door de massa. Joel grijpt mijn hand. "Kom", zegt hij, "geef Tom ook een hand. We volgen ze mee naar binnen." Onze slang van drie zet zich in beweging. Het lijkt een onmogelijke opdracht. De zaal barst van het volk. Maar eens te meer slaagt het Cubaanse volk met glans in de vriendelijkheidstest. Niemand port ons venijnig in de ribben. Niemand werpt ons kwade blikken toe. Een tijd later sta ik geperst tussen Joel en een andere zwarte jongen, een meisje met een baby met een blauw wollen mutsje voor mij en Tom achter mij. Het lied voor Elegua is nog steeds bezig. Een gerimpeld donkerbruin dametje in het wit probeert een doorgang vrij te houden voor de muzikanten naar het altaar met het beeld van sint-Barbara. Barbara en Chango zijn een tweeling. Twee-eiig want zeer verschillend: zo braaf als zij is, zo’n schelm is hij. Elke orisha heeft een katholieke tegenhanger. Op die manier vermomden de Afrikaanse slaven hun eigen godsdienst voor hun Spaanse onderdrukkers. Het blijft natuurlijk religie, denk ik, maar dit is toch leuker dan een mis. Bij elke aanroeping volgen de muzikanten hetzelfde patroon. Ze beginnen traag te zingen, dan wordt het ritme sneller en begint het steeds meer zwetende volk mee te zingen en te dansen, of beter als een groot paar malse heupen te wiegen. Joel wringt zich plots naar het smalle gangetje dat naar het altaar leidt. Hij rolt wild met zijn ogen, wrijft zich over het hoofd en steekt uitdagend zijn achterwerk uit. Al schuddedansend beweegt hij zich naar de muzikanten toe. Het oude vrouwtje in het wit loopt als een zorgzame kloekhen achter hem aan. "Toch lief dat hij ons op een trance tracteert", zeg ik tegen Tom. Hij straft me terstond met een kneep in mijn nog wel zo perfect op het ritme heen en weer deinende billen.
"Zullen we een luchtje gaan happen?" vraagt Joel als hij een poos later weer naast me opduikt. De aanroeping van de goden bruist nog steeds verder. In de amper verlichte straat staan honderden mensen te praten, te roken en rum te drinken. Het santeria-equivalent van het kletsend Vlaams mannevolk dat op zondagmorgen niet verder geraakt dan het kerkportaal. "Hoe voel je je nu?" vraagt Tom terwijl we op het voetpad gaan zitten. "OK" antwoordt Joel, "Ik herinner me nooit iets van zo'n episode. Het is alsof ik slechts even met mijn ogen heb geknipperd". Hoe lang is hij al een santeria-gelovige, willen we weten. Bondig komt het hier op neer: Joel was twaalf toen hij voor het eerst in bezit werd genomen door de geest van een Afrikaanse tovenaar, papa Federito brujo genaamd. Papa bezocht hem in zijn dromen en onderwees hem in zijn geheimen. Er begonnen vreemde dingen te gebeuren. Tijdens een droom gaf papa hem de opdracht om zich een ceremoniele doos aan te schaffen om er een slang in te bewaren. De doos was gemakkelijk gevonden. Maar een slang? Waar in Chango's naam moest hij die gaan zoeken, zo vroeg Joel zich af. ‘s Avonds stapte hij zijn huis uit, piekerend over dit praktisch probleem, toen ineens, vlam, papa Federito brujo hem besprong. Uren later kwam Joel thuis met een dikke slang rond zijn nek gedrapeerd. Vraag hem niet hoe hij er is aan geraakt. Hij heeft er geen flauw benul van. Ik ben beduveld om te vragen of het zou kunnen dat hij die avond misschien iets te veel alcohol of iets te veel van iets anders had gebruikt. Je hoort toch ook soms van mensen die stomverbaasd wakker worden met tatoeages waarvan ze zich het hoe noch het waarom herinneren "Het is een brave slang", zegt Joel, "maar ze wil enkel aan mij gehoorzamen". Ik besluit om onze lieve gastjongen te sparen. Trouwens, het is laat geworden. "Hebben jullie zin om morgen bij me thuis langs te komen?" vraagt Joel. "Dan kan ik je een en ander demonstreren". We spreken af om elf uur 's morgens, de boze geesten zijn dan nog in diepe slaap verzonken.
De meeste straatlichten, als ze al eerder brandden, zijn nu gedoofd voor de nacht. Gelukkig verlicht een volle maan de stille stad. Morgen wordt er gewerkt en naar school gegaan in Trinidad. Achter een open raam in een schaars bemeubeld kamertje is een oude man in een versleten rieten schommelstoel in slaap gedommeld. Gewiegd, zo lijkt het, door de zachte, bezwerende stem die uit het televisietoestel komt. “Slaap... beste Cubanen, slaap...” zo lijkt de stem te zeggen. Dan herkennen we de spreker. Het is Fidel. El Jefe zorgt hier werkelijk voor alles.