Cienfuegos

Tien nachten hebben we nu geslapen op versleten, bultige matrassen in ‘casa particulares’, de Cubaanse versie van kamers met ontbijt bij particulieren. Hoe hartelijk onze gastfamilies ook waren, toch kreunen onze door futons verwende ruggen: basta! Vanavond willen we ons eens neervleien op stevige matrassen in een goed hotel. Het kan ons niet schelen dat dit drie keer meer zal kosten dan een kamer in een casa particular: 60 dollar is al bij al toch maar een prikje in vergelijking met een New Yorkse hotelkamer. We zijn in Cienfuegos, een door Fransen gestichte havenstad op 250 kilometer van Havanna. Hotel Union ligt vlakbij het elegant opgeknapte Parque Jose Marti. De drie verdiepingen met galerijen in koloniale stijl, de marmeren vloeren, de patio’s waarvan een met zwembad: een grondige restauratiebeurt heeft ze van het verval gered en sedert zes maanden overnachten er weer gasten. In de volle eetzaal klinken Duits, Frans en Amerikaans. Ook hier heerst de ergerlijke apartheidspolitiek die we al op zoveel plaatsen zijn tegengekomen: Cubaanse gasten zijn hier niet toegelaten. Het slanke personeel achter het buffet kijkt geamuseerd toe hoe vijf grote, dikke Amerikaanse dames hun borden volladen. De vrouwen hebben elk een kaartje waarop “Breastfeeding research program” staat met daaronder hun naam, op hun massieve boezems gespeld. Alleen al het zicht van deze monumenten zou een baby zijn mondje doen opensperren. Wat later sta ik in de rij voor het dessert naast -even haar kaartje lezen- dokter Karin Caldwell. Ze is, dit is geen grap, van Sandwich, Massachusetts. Haar groep blijkt hier te zijn in opdracht van Unesco. “We hebben veel te leren van Cuba”, vertelt ze, “ze hebben hier de meest efficiente voorlichtingscampagne voor borstvoeding van alle derdewereldlanden”. Ik vertel haar dat het me is opgevallen dat de baby’s er zelfs in de allerarmste wijken van Havanna en de miserabelste huttengehuchten op de buiten zo flink en goedgevoed uitzien. “Dat klopt”, zegt ze, “voor de allerkleinsten wordt hier heel goed gezorgd. De staat voorziet zelfs gratis eten tot ze drie jaar zijn”.

Na de maaltijd wandelen we over het Marti-plein. De kathedraal en het Thomas Terry theater waar Enrico Caruso en Sarah Bernhardt ooit optraden zijn mooi verlicht. Maar in sommige zijstraatjes brandt slechts hier en daar een zuinig straatlampje. In andere is het pikkedonker. We kuieren er ongestoord, zoals we nu al tien avonden hebben gedaan in andere Cubaanse dorpjes en stadjes, tussen spelende kinderen, magere straathondjes en kletsende mensen. Af en toe stappen we van de straat op het voetpad om klipkloppende paardjes en koetsen verlicht met een walmend kerosene-fakkeltje door te laten. Overal staan ramen en deuren open. Fidel is zoals elke avond rond deze tijd aan het speechen op televisie voor diverse lege woonkamertjes. Plastieken bloemen, heiligenprenten, met versleten plastiek overtrokken versleten meubeltjes, neonlicht, afbladerende verf: het noodgedwongen-minimalistisch standaardinterieur van de Cubaanse volksbuurten. “Vous parlez Francais?” vraagt een zwart meisje dat op een stoep zit. Veel meer Frans dan dat kent ze niet. Ze toont trots haar ring en zegt, in het Spaans: “Ik ben getrouwd met een Belg.” Dat roept bij de nieuwsgierige reizigers die we zijn meteen een boel vragen op. Waar is haar man? In Belgie. Is ze daar al geweest? Ja, al verschillende keren. Vond ze het leuk? Ja, maar koud. Waar woont haar man? Niet ver van de Porte de Namur. Spreekt hij Spaans? Nee, enkel Frans. Is dat niet wat moeilijk om te communiceren? Ah, als we de liefde bedrijven, verstaan we elkaar uitstekend.

Dan is het haar beurt om vragen te stellen. Welk beroep hebben jullie? Ah, periodistas! Voor welke krant? De Morgen. Oh , De Morgen die ken ik. Ik heb er nog in gekeken toen ik werk zocht. Jullie spreken dus ‘Flamenco’. Hierop stoot ze giechelend enkele onbetwistbaar Vlaams klinkende “ggoe’s” en “hha’s” uit. We mogen dan aan de authenciteit van haar huwelijk twijfelen, in Belgie is ze geweest, dat heeft ze nu wel bewezen. Haar moeder en een buurvrouw komen er bijzitten. Het leven is hier keihard, zegt het meisje. Ze wijst over haar schouder naar een kamertje waar een frele oude man in een zetel zit te slapen. “Hij is aan het sterven van de honger”, zegt ze. “Niemand hoeft in Cuba honger te lijden”, verzekerde een Cubaanse vriend in Havanna ons een week geleden, “je kunt altijd hulp krijgen”. Ik wil hem graag geloven maar net zoals ik al veel Cubaanse volle babywangetjes hebben gezien heb ik ook al heel wat graatmagere bejaarden gezien. Het meisje legt een hand op de schouder van haar moeder: “Ze heeft geneesmiddelen nodig die we hier niet kunnen krijgen”. Waarom laat je ze niet opsturen uit Belgie, vragen we. “Pakjes uit het buitenland worden gestolen”, beweert ze. Wat is ze nog van plan met die Belgische echtgenoot van haar, zo wil ik tenslotte nog weten. Ze lacht. “Ik wil een kind van hem.”