De krekel en de mier

Herinnert u zich de zomer van toen u vijftien jaar was? De mijne was een luie aaneenschakeling van boeken lezen, kalverliefdes sorteren, zo bruin mogelijk proberen worden, fietstochtjes maken, op gidsenkamp gaan en als het echt niet anders kon thuis een handje toesteken, sakkerend op de volwassenen die niet snapten dat ik belangrijker dingen aan mijn hoofd had.

Vijftien jaar. Hoogstens zo oud ziet hij er uit, zittend op het voetpad op Broadway, met een karton in zijn hand waarop in hanepoten staat gekrabbeld: “We are hungry. We have no place to stay. Please help us.” Hij babbelt en lacht met zijn vrienden, drie jongens en een meisje die niet veel ouder lijken dan hij. Hun kleren lijken afkomstig uit de betere tweedehandswinkel. Achter hen, in Gray’s Papaya, staan de klanten in de rij voor de specialiteit van het huis: hotdogs en papaya-sap. Een zwarte man komt vlak voor de schooiertjes staan. “Ga weg”, roept hij bars, “dit is mijn plaats!” Het zweet parelt op zijn voorhoofd. Zijn van het vet glimmende jas is veel te warm voor de drukkende namiddag-hitte. “Ga weg”, roept hij opnieuw, “jullie zijn niet eens van New York.” De jonge bedelaars wiens haren, huid en kleren uitdagend schoon zijn, staren hem zwijgend aan. Een andere zwarte man trekt de opgewonden dakloze aan zijn mouw. “Kom”, zegt hij, “verspil je energie niet aan die verdomde toeristen. Ik ken dat soort. Die blijven niet lang.” “Van waar zijn jullie?”, vraag ik als de daklozen zijn afgedropen. “Van Wisconsin”, antwoordt de jongste, “we zijn op reis.”. Bedeltoeristen. Het is niet de eerste keer dat ik dit soort ondernemende tieners tegenkom. Maar ik heb geen tijd om met hen te praten, ik heb een afspraak met een andere vijftienjarige. Boris Richir staat me op te wachten in de artificiele koelte van een lobby in Lincoln Center. Hij is lang en slank. Hij houdt zijn rug perfect recht. Hij ziet er helemaal de balletdanser uit die hij is. Hij stelt me voor aan een mooi donkerharig meisje. Eve heet ze en net als Boris ziet ze eruit alsof ze elk ogenblik kan beginnen pirouetten over de marmeren vloer. De twee jonge Belgische dansers kenden elkaar op de balletschool van Antwerpen. Toen Boris 12 was ging hij in Parijs studeren en ze verloren elkaar uit het oog. Maar de (dans)wereld is klein. Deze zomer kruiste hun pad opnieuw toen ze beiden uitgenodigd werden door de School of American Ballet om vijf weken van hun schoolvacantie door te brengen in de airco-dansstudio’s van een van Amerika’s beroemdste dansscholen. “Het is hard werken”, zegt Eve, “We zijn elke avond flink moe. We hebben niet zo veel van New York gezien. De school heeft wel enkele uitstappen georganiseerd maar is verder nogal strikt. Ik moet ‘s avonds om 10 uur binnen zijn en Boris, omdat hij jonger is, al om 9 uur.” Dat neemt niet weg dat ze enthousiast zijn over hun verblijf. “Ik heb heel veel bijgeleerd”, zegt Boris. “Ik ook”, zegt Eve. Beiden vinden hun Amerikaanse medestudenten verrassend vlot en vriendelijk. “Het is net alsof ze je al lang kennen”, zegt Eve, “Dat maakt dat je je veel sneller aanpast.” “In Parijs is dat wel anders”, zegt Boris, “Ik studeer daar nu al drie jaar en ik wordt nog geplaagd met domme Belgen-moppen.”

Later in de ondergrondse, zit ik te mijmeren of ik het verder in het leven zou hebben geschopt, had ik mijn tienerzomers ook nuttiger en gestructureerder doorgebracht. Het schooiertje en Boris zijn als de krekel en de mier, hoewel het in dit geval de mier is die muziek maakt. Ik bedelde wel niet toen ik vijftien was maar ik was toch eerder een krekel. Volgens kinderpsycholoog Alvin Rosenfeld had ik daar gelijk in. “In de zomer zou er genoeg tijd moeten zijn voor het plezier van het niets doen’, schrijft hij, “Niet alleen is die ‘onproductieve’ tijd emotioneel waardevol maar hij draagt ook bij tot de creativiteit van het kind en het ontwikkelen van diepe vriendschappen. Een kind moet kunnen voelen dat hij de auteur is van zijn eigen leven en dat het niet altijd het script van iemand anders moet volgen.” Dat neemt niet weg dat het voor een jongen als Boris heerlijk is om de zomer te gebruiken om zich verder in zijn talent te bekwamen. Anders is het het voor vele kinderen die door hun ouders onder druk worden gezet om hun mierenbestaan van tijdens het schooljaar in de vacantie voort te zetten in zomercursussen, in de hoop dat ze zo een streepje voor zullen staan in de competitie die hun leven steeds meer is. Die kunnen best wat meer krekeltijd gebruiken.

By the way: de krekels zingen weer in mijn tuin alsof het nooit meer winter wordt.

9 augustus 2006