New Yorks ‘Klein Italie’ wordt kleiner en kleiner. Maar haar kleurrijke reputatie houdt stand.

Veel mensen die naar New York komen, hebben ‘Little Italy’ op hun must see-lijst staan. Ze gaan er naartoe in de verwachting een authentieke Italiaanse wijk te zien maar dat is ze al lang niet meer. Alleen tijdens het San Gennaro-feest in september, het oudste religieus festival van de VS dat elk jaar massa’s Amerikanen van Italiaanse afkomst uit heel de regio lokt, proef je wat sfeer van toen Little Italy nog een Italiaanse ghetto was. Dat was het nog tot in de jaren 1950. Daarna slonk de immigratie uit Italie en naarmate de Italiaanse immigranten en hun afstammelingen op de sociale ladder stegen, zwermden ze uit naar andere stadsdelen en de suburbs. In zuid-Brooklyn en Staten Island werden ze de dominante bevolkingsgroep. Anderen namen hun plaats in. De laatste jaren vooral Chinezen en andere Aziaten. Chinatown, dat uit zijn voegen barst door recente immigratie, heeft een groot deel van wat Little Italy was opgeslokt. Volgens de volkstelling van vorig jaar is nog slechts 5 procent van de 8500 bewoners van het ‘historische district’ Little Italy Italiaans-Amerikaans. Geen van hen is in Italie geboren. De enige twee straten die nog een Italiaanse sfeer bewaard hebben zijn Mulberry en Grand Street. Daar vind je tal van Italiaanse restaurants en winkels die goed draaien dankzij de toeristen en wat de auteur van "Goodfellas”, Nicholas Pileggi, beschreef als "zaterdag-Italianen uit de suburbs, dikke zonen van magere immigranten- vaders". Sommige winkels zijn in heel de stad bekend. De Italiaanse delicatessenzaak Di Palo's, de zuivelhandel Alleva en patisserie Ferrara bestaan al meer dan een eeuw, een hele prestatie in de snel-wisselende New Yorkse commerce.

Nu bijna de helft van de bewoners van Little Italy in Azie is geboren, onstaat er een boeiende kruisbestuiving. De traditionele Christmas Parade heeft een ‘East Meets West’-thema. Een Koreaanse immigrant won de tenor-wedstrijd van de Little Italy Merchants Association. Een Chinese immigrante, Margaret Chin, vertegenwoordigt het district in de gemeenteraad. Ze spoort de Aziatische middenstanders aan om een voorbeeld te nemen aan de Italiaanse winkels en restaurants die 's morgens vroeg hun voetpaden schrobben.

Proper, gezellig en veilig: de Italiaanse buurten van New York hadden een goede reputatie. Er was weinig misdaad, ironisch genoeg omdat free lance-misdadigers schrik hadden van de mafia. De Gambino-bende, een van de vijf Mafia-‘syndicaten’, zwaaide de plak in Little Italy. Maar de ‘social club’ Ravenite in Mulberry Street waar ze haar hoofdkwartier had, is nu een schoenenzaak. Van de meer dan honderd mafia-leden die in januari in en rond New York werden opgepakt,was er niet een die in Little Italy woonde.

Ook Belmont, een ander New Yorks Little Italy in het hart van de Bronx, had een mafia-reputatie die de buurt veilig hielp houden. Dit hoewel ze grenst aan de South-Bronx, waar chaos troef was in de laatste decennia van de vorige eeuw. Tijdens de blackout in 1977, toen heel de stad zonder stroom zat, werd er in alle omliggende wijken geplunderde en brand gesticht maar in Belmont bleef alles kalm. In Arthur Avenue, Belmonts hoofdstraat, was er in de laatste halve eeuw geen enkele winkel overvallen. Tot vorige week, toen juwelier Anthony Spinelli een koppel overvallers over de vloer kreeg. Een man en een vrouw. Zij vulde een zak met juwelen, hij hield zijn geweer tegen het hoofd van de winkelier en beval: "Maak uw safe open". Dat was geen goed idee want Spinelli bewaarde een pistool in de safe. De juwelier greep zijn wapen en de overvallers kozen het hazenpad. Spinelli koerste hen achterna. Hij botste op hun handlanger die buiten op wacht had gestaan en schoot hem in het been; de andere twee ontsnapten in een klaarstaande auto. De volgende dag kreeg signore Spinelli een pluim van de politiechef omdat hij zich als een verantwoordelijke burger had gedragen want hij had de vluchtende dieven niet in de rug geschoten. Maar na het applaus volgde een boete: Spinelli’s pistool was geregistreerd in Westchester County, een voorstad, en niet in New York City dus overtrad hij de wet op het wapenbezit.

9 maart 2011