Het was weer een aangenaam winterweekend in het lieflijk New York. Een stralende zon, afgewisseld met enkele malse regenbuien, de parken vol kindjes en hondjes. Zelfs ‘s avonds stonden er nog hele zwermen meisjes in blote T-shirtjes voor de clubs, zo warm was het. Zondag stond in het teken van de Super Bowl, het hoogfeest voor footballfans. Een vriendelijke stem op de radio zei dat dit de dag is waarop het meest restaurant-eten aan huis wordt besteld. “We vragen aan alle automobilisten om extra goed op te letten voor de vele bestellers die vanavond door de stad zullen fietsen. Veel van die mensen zijn recente immigranten die het drukke stadsverkeer nog niet gewoon zijn. Rij dus voorzichtig aub.” Zelf fietser zijnde kreeg ik er bijna tranen van in de ogen. Mijn goed-geordend, vriendelijk, veilig dorpke, mijn New Yorkske, kom hier dat ik u eens stevig tegen mijn boezem druk!
Maandagochtend. Zie je wel. De New Yorkse chauffeurs zijn gisteren voorzichtig geweest. Er is geen enkele besteller omver gereden. Niet dat er geen bloed hangt aan het locale nieuws. Tussen zaterdag- en zondagavond werden zes New Yorkers vermoord. Twintig jaar geleden zou niemand daar van opgekeken hebben. Tien, vijftien lijken per weekend was toen niet ongewoon. Nu zijn we dat niet meer gewend. Zes moorden op 24 uren, het haalt de voorpagina. Wie waren de zes ongelukkigen? Mocht u een reis naar hier plannen, maak u niet ongerust: er waren geen toeristen bij. Zelfs in de meest moorddadige jaren was dat zelden het geval. Toen net als nu waren de slachtoffers gewone New Yorkers die, hadden ze blijven leven, nooit het nieuws zouden hebben gehaald. Twee mannen in Forest Hills, een buurt in Queens die vooral bekend is voor haar mooie huizen tussen rustig groen, kregen een kogel door het hoofd terwijl ze in hun geparkeerde auto zaten. De dader stak de wagen in brand voor hij te voet wegvluchtte. Rond dezelfde tijd probeerde een gewapende man Dunkin’ Donuts (een fastfood-keten) in Harlem te overvallen. De klanten en het personeel stoven het restaurant uit. De manager, een universiteitsstudent, werd drie keer in de rug geschoten. Later, weer in Queens, dit keer in de kleurige en levendige Jamaica-wijk, werd een jongeman doodgeschoten terwijl hij met zijn vriendin door de straat wandelde. In Bedford Stuyvesant in Brooklyn, de tweede grootste zwarte wijk van New York, werd de politie bij een verkeersongeluk geroepen. Een jongeman had tegen enkele geparkeerde wagens gereden. Bleek dat hij drie kogels in de borst had gekregen. In de Bronx werd nog het lijk van een man in een koffer gevonden. Hij was doodgestoken. Voorlopig weet niemand wie hij is. De New York Post, onze New Yorkse roddeltantekrant, heeft de zesde moord bewaard voor haar voorpagina. “BLING BLING BANG BANG” staat er boven een foto van rapper Busta Rhymes. Het beste in de New York Post zijn vaak de titels. Busta was zaterdagnacht een muziek-video aan het opnemen in een magazijn in Greenpoint in Brooklyn. Er was veel volk: werklui, figuranten en andere rappers zoals 50 Cent met hun entourages. De sfeer was gespannen. Op de parking brak een ruzie uit tussen de filmploeg en toeschouwers die het vertikten om stil te zijn. Lawaai maken tijdens een filmopname in de hoop dat de filmploeg je geld zal geven om op te krassen, is een klassiek truukje in New York. De mannen in kwestie gingen weg maar kwamen een half uur later terug. Er klonken geweerschoten. Een van de bewakers van Busta was dodelijk geraakt. Hij was belast met het bewaken van de juwelen die de rapper in de verschillende scenes aandeed. Bling-bling is het intussen in het algemeen taalgebruik overgenomen rappers-woord voor juwelen. Vandaar dus “bling bling, bang bang”.
Zeven uur maandagavond. Zes moorden op 24 uren maar Central Park ligt er vredig bij. Ik wandel er met vijf New Yorkse vrienden binnen via Women’s Gate aan de 72ste straat. Er hangt een maansikkeltje in de heldere inktblauwe hemel. Het is vandaag toch ineens koud geworden. In Strawberry Fields zitten mensen stil op bankjes. We kuieren langs kronkelpaden. We lopen onder bogen slapende wisteria. Mannen en vrouwen zijn nog honden aan het wandelen, aan het joggen en fietsen. Sommige zijn alleen, anderen met twee of in kleine groepjes. We gaan zitten in een open kiosk van kantachtig smeedwerk aan de rand van een vijver. Het zwarte water weerkaatst de verlichte torens van Fifth Avenue. Een eend landt vlak bij ons. We horen het klip-klop van paardehoeven. Op Bethasda-terras, het pronkstuk van het park, glijden onze handen in het bijna-duister over het anderhalf eeuw oude relief van exotische vogels en bloemen. We klimmen op rotsen waar spikkeltjes mica in glinsteren. Om halfnegen staan we aan de andere kant van het park. We steken Fifth Avenue over en slaan de 68ste straat in. We passeren langs nummer 5, een van de vele mooie 19de eeuwse herenhuizen in de straat. Aan de witte gevel hangt een koperen bord waar “Indonesian Consulate” op staat. Een week geleden werd hier in de kelder een lijk gevonden met een mes in de borst. Er gebeuren overal toeren, zelfs in de rijkste wijk van de stad.
J 8 februari 2006