GEKWETSTE STAD

Op doortocht in de Apennijnen

Het is moeilijk om door Italie te reizen en niet aan New York te denken. Overal komen we namen tegen van vrienden met Italiaans bloed. Op wegwijzers, straatnamen, uithangborden: Matera, Ferrata, Cattabiani, Rosa, Montalbano... er zijn ook namen die aan bekende New Yorkers herinneren. Op het oorlogsmonument voor de kerk van Santo Stefano, een bergdorpje in Abruzzo waar amper honderd mensen wonen, zie ik een Giuliani bij de inwoners die omkwamen in de tweede wereldoorlog. We logeren in hetzelfde dorp op de boerderij van Maria Christina Tomei die ons een van de beste Italiaanse maaltijden van ons leven voorzet. Ze is geen familie van Marisa Tomei waar ze nog nooit van gehoord heeft. Ik verzeker haar dat haar kookkunst evenveel faam verdient als de Brooklynse filmster. Tom en ik zijn toevallig bij signora Tomei beland. Typisch voor onze manier van reizen, hadden we vanmiddag op het vliegtuig van Athene naar Rome nog geen idee waar we vanavond zouden logeren. Eens aan de grond beslisten we om in de richting van de Adriatische kust te rijden. "Oh U spreekt Nederlands", zei de jongen van het autoverhuurbedrijf verrast. Gianni Luigi -of "Jan-Louis"- had vier jaar in Rotterdam gewoond. Hoe dicht Griekenland ook was, hij was er nooit geweest. 'Bent u er niet nieuwsgierig naar?" vroeg ik. "Niet echt", antwoordde hij, "Als ik vakantie heb, ga ik graag naar Nederland". In Athene logeerden we bij onze Nigeriaanse schoonzus. Door het werk van Toms broer woonde het gezin al in verschillende landen. Nederland heeft tot nu toe het meest haar hart gestolen. Maar terug naar Jan-Louis die ons nog een reistip gaf. "U zult hier en daar wegwijzers met 'Agriturismo' zien. Die leiden naar boerderijen die logies aanbieden. Ik raad dat echt aan. Het eten komt van de boerderij en is heel lekker." Het was dus dankzij hem dat we, na mooie omwegen door de besneeuwde Apennijnen, net na zonsondergang het erf van de Tomei’s opreden. In Griekenland bleken alle jongeren die we ontmoetten vrij goed Engels te kennen maar in Italie is dat anders. In het boerengezin beheerst alleen de zeventienjarige Nicoletta de taal een heel klein beetje. Niet dat de familie Tomei Engels vaak nodig heeft. Hun klanten komen vooral van Rome. "We hebben een groep Canadezen gehad die hier in de tweede wereldoorlog vochten en vijftig jaar later voor het eerst terugkeerden", vertelt Maria Christina, "een keertje ook Japanners en nu jullie. Dat is het wat buitenlanders betreft."

Het probleem met reizen is dat er zo verdomd veel te zien is in de wereld. Alleen al met Abruzzo, Molise, Puglia, Basilicata en Calabria -de voet van Italie- verkennen zouden trage, improviserende reizigers zoals wij minstens een jaar kunnen vullen. Een plaats waar we een omweg voor maken is L'Aquila, de stad waarvan het eeuwenoude centrum vorig jaar werd verwoest door een aardbeving. Het is zondag, de zon schijnt en we lopen tussen andere wandelaars door straten waar niemand meer kan wonen of werken omdat de gebouwen vernietigd zijn of te onstabiel zijn geworden. Alle zijstraten zijn afgezet. De Duomo en andere kerken zijn omringd met hoge hekkens. Er patrouilleren opvallend veel politieagenten en gewapende soldaten. Om dieven weg te houden, zo vermoed ik eerst, maar enkele straten verder blijkt dat er nog een andere reden is. Er is een grote betoging aan de gang tegen de traagheid van de restauratiewerken. Als ze eindigt, vormen de demonstranten twee lange kettingen, een aan de kant van een middeleeuwse straat, en geven emmers met brokstukken uit ingestorte gebouwen door. Op het einde van elke keten staan mannen in bouwvakkersplunje die de emmers legen in containers. Dit om te onderstrepen dat één jaar na de ramp het puin nog steeds niet geruimd is. Als zelfs in een beroemde welvarende stad als L'Aquila de zaak niet opschiet hoe weinig mogen de bewoners van nog zoveel harder getroffen rampengebieden als Haiti of het recent dooreengeschudde Chili of Turkije dan verwachten?

8 maart 2010