Reality


‘Survivor’, een show waarvan de Belgische versie ‘Expeditie Robinson’ heet, begint hier deze week aan zijn 13de seizoen. Zoals de meeste ‘reality’-shows verloor hij de laatste jaren veel kijkers maar nu hopen de makers het tij te keren met een nieuwe formule: rassenoorlog. Zo heet het niet officieel maar daar komt het wel op neer. De vier rivaliserende ‘stammen’ zijn volgens ras ingedeeld zodat alle bevolkingsgroepen –blanken, zwarten, latino’s en aziaten- eindelijk eens zonder schaamte voor hun eigen soort kunnen supporteren. Eigen volk eerst! Op de onvermijdelijke kritiek anwoorden de makers dat de nieuwe formule de kansarmen meer kansen geeft: in eerdere seizoenen waren de deelnemers 80% blank. Eigenlijk zijn ze blij met de kritiek. Negatieve aandacht is beter dan onverschilligheid. De nieuwsgierigheid is gewekt, de kijkcijfers zullen stijgen. De kritiek in de media is vooral dat de formule terug grijpt naar de rassenscheiding die vroeger de norm was. In het Amerika van vandaag past die apartheid niet meer, zo luidt het. Ze past niet meer in de politieke redevoeringen, ze past niet meer in het politiek-correcte spektakel van de media maar in de werkelijkheid is ze helaas niet verdwenen. Integendeel. Terwijl de raciale diversiteit van het land groeit, wordt de raciale scheiding van buurten en scholen weer groter.

Fiets in gedachten met mij mee. We rijden van mijn huis naar de ferry. Onderweg en op de boot zien we een bonte mengeling van de vier ‘stammen’ maar dat verandert snel als we in Manhattan het pad langs de East River nemen. Eerst moeten we laveren tussen dichte drommen toeristen –bijna allemaal blanken- die South Street Seaport bezoeken. Wat verder passeren we de rand van Chinatown en plots is bijna iedereen Chinees. Sommigen zijn hun ingetogen ochtendgymnastiek aan het doen, andere vissen of lezen Chinese kranten. Tien minuten verder is er geen Chinees meer te zien. Links van ons ligt de Lower Eastside (‘Loisada’) en we passeren nu vooral latino’s. Vanaf de 20ste straat wordt het blanker. Als we aan de 84ste straat langs het kraaknette Carl Schurz park rijden, zijn alle mensen op de banken, alle kinderen in de speeltuin en alle sporters blank. Alleen de kindermeisjes en bejaardenbegeleiders ogen donker. We trappen verder langs de brede rivier. Vanaf de 110de straat is het pad minder goed onderhouden. Er is ineens minder volk. Wie er zit, vist of sport is zwart: we zijn in Harlem. Aan de 130ste straat wil ik het Third Avenue-brugje naar de Bronx oversteken maar het pad is versperd door een afsluiting en hoog onkruid . We keren terug naar de drie vissers die we eerder passeerden en vragen hoe we over de brug kunnen. "Ik zal het u tonen", biedt een van hen aan. Hij brengt ons langs twee oude matrassen, kapotte stoelen en een schichtig kijkende, groezelige Akita-hond naar een half-verborgen, zo te ruiken vaak bezeikte trap. Galant draagt hij mijn fiets naar boven. We fietsen over de brug, voorzichtig vanwege de glasscherven. We staan nu aan de rand van de South-Bronx. We zien wat blanken aan de antiekwinkeltjes van Bruckner Boulevard en rond de Clocktower, een tot lofts omgebouwde piano-fabriek. Een halve kilometer dieper in de South-Bronx komen we alleen nog latino's en hier en daar een zwarte tegen. We fietsen straat in, straat uit, urenlang. De South-Bronx is groot. We zouden in Latijns-Amerika kunnen zijn. Onze blanke stambroeders en -zusters zijn nergens te bespeuren. Help! (just kidding). Sedert ik in de jaren ‘80 voor het eerst door haar uitgebrande straten liep, is de South-Bronx er aanzienlijk op vooruit gegaan. Toch blijft het een van de armste plaatsen van Amerika. Maar er zijn oases. We peddelen langs een uitgestrekt stuk groen en plots zie ik niet alleen een witte reiger in een vijver maar ook veel blanken. Ze komen de parels van de Bronx bezoeken: de New York Botanical Garden en de Bronx Zoo. Enkele minuten verder rijden we door het hartje van Belmont, het Little Italy van de Bronx. Dat blank eilandje hebben we snel doorkruist. We fietsen terug naar Manhattan via de brede Grand Concourse. We zouden hier pakweg 70 jaar geleden vooral blanken hebben gezien. Nu komen we niemand tegen van onze eigen ‘stam’. We steken de Madison-brug over naar Manhattan. We belanden smak in Harlem en zien nu nog enkel zwarten. Aan het recent opgeknapte Marcus Garvey Park ter hoogte van de 124ste straat zijn enkele blanke jongelui in een voortuintje aan het barbecuen. Survivors! (just kidding again). Tegen de 90ste straat zijn we weer volop in het gebied van de rijke bleekhuiden. Na al die tijd vind ik die bruuske overgangen nog steeds bevreemdend.

Zal ‘Survivor’ dit jaar voor het eerst de naam 'reality-show’ waardig zijn? In Amerika en zelfs in New York dat zich zo graag tolerant voorstelt, wonen de vier 'stammen' grotendeels apart. Doen alsof de nieuwe formule van Survivor een choquerende stap terug is in het verleden is net zo hypocriet als pretenderen dat niemand in het echte leven "fuck" zegt, zoals de New York Times en de tv-netten doen. Om het met een ander woord te zeggen dat om de haverklap gebruikt en weggebiept wordt: Bullshit!

6 september 2006