Nipper

Het heeft echt bestaan, dat koddige witte hondje met de zwarte oren dat, kopje schuin, aandachtig luistert naar een oude gramofoon. ‘Nipper’, heette het, naar zijn onhebbelijke gewoonte om mensen in de kuiten te bijten. Het leefde op het einde van de 19de eeuw in Engeland en werd vereeuwigd in een schilderij dat zijn baasje van hem maakte. “His master’s voice”, heette het schilderij en dat werd de reclameslogan van de gramofoonfirma RCA Victor die het hondje als logo adopteerde. Het bakstenen gebouw waar ik nu ben wordt ook de Nipper genoemd. Het heeft een toren met hoge glasramen waarop het hondje met zijn gramofoon staat afgebeeld.

Ik ben in Camden, op anderhalf uur rijden van New York, in het vroegere hoofdkwartier van RCA Victor. Hier werden ooit de beroemde Victrolas gemaakt die nu begeerde antiek zijn. “Dat waren goede tijden voor Camden”, zucht Randy Primas een beetje jaloers. “In 1940 werd Camden uitgeroepen tot de mooiste stad van Amerika. RCA Victor en Campbell Soup hadden hier hun hoofdvestiging. Er was werk voor iedereen: de scheepswerven alleen al hadden 45 000 werknemers.” Bijna al die industrie is nu weg. Vertrokken naar lage loonlanden en naar plaatsen in Amerika met minder problemen dan Camden. Blanken vertrokken er ook en Camden werd een verpauperd, bankroet zwart stadje dat zo diep in het slop zat dat de staat New Jersey het bestuur overdroeg aan een staatsagentschap onder leiding van ‘superburgemeester’ Randy Primas. Primas heeft zijn kantoor in het Nipper-gebouw dat lang leegstond maar nu keurig gerestaureerd is. “Er zijn ruim 200 loft-appartementen in het gebouw en ze zijn bijna allemaal verhuurd”, zegt hij trots. Het is er mooi wonen, met zicht op de Delaware-rivier en daarachter de skyline van Philadephia.

Voor Primas staat het gebouw symbool voor het begin van Camdens heropleving maar dan mag je er niet te veel rond kijken. Vele buurten van Camden doen me denken aan de South Bronx of Harlem in de jaren 1980. Heel veel leegstand, vuile, slecht onderhouden straten, jonge werklozen die samenklitten op de stoepen, weinig oude mensen die zich buiten wagen, weinig winkels, banken of restaurants, slechts hier en daar een bewoner die tussen al het verval koppig bloemen kweekt en zijn huis netjes geschilderd houdt. Toen Camden nog welvarend was, was Broadway een drukke winkelstraat. Nu staan de meeste winkels er leeg. De weinige mensen die ik er tegenkom zijn zwart of latino, op enkele blonde vrouwen na die er, van achter bekeken, best leuk uitzien maar wiens gezichten getekend zijn door crack- en heroinegebruik. “De blanke meisjes die je hier ziet zijn allemaal straatprostituées”, zegt een zwarte agent die op een hoek van Broadway tegen zijn auto leunt, “onze stad is een echte vuilbak. Je zou het hier ‘s avonds moeten zien; dan is het hier een drugbazar. De meeste kopers komen van buiten de stad want in Camden zelf is er weinig geld. Er is slechts een supermarkt voor 80 000 mensen, dat zegt toch genoeg? Toen ik klein was, waren er 18 bioscopen, nu geen enkele meer.” De man klinkt bitter en pessimistisch. Is er geen hoop voor Camden? De misdaad tiert er zo welig dat het in 2004 “de gevaarlijkste stad van de VS” werd genoemd. Maar in 1990 werd dat ook over New York gezegd. NewYorkse buurten zoals de South Bronx, Harlem, Williamsburg en Fort Green zagen er toen minstens zo belabberd uit als Camden en doen het nu een stuk beter. ‘Waarom zou Camden niet ook kunnen heropleven?’, denk ik terwijl ik terug naar het Nipper-gebouw wandel. Het is al donker als ik er toekom. De glasramen met het hondje op zijn spectaculair verlicht. De gebouwen ernaast ook. De meeste zijn nieuw of pas gerestaureerd, met pronkstukken zoals de New Jersey State Aquarium. Samen vormen ze een anderhalve kilometer-lange zone aan de rivier die door Primas vanochtend "het juweel en de hoop van Camden" werd genoemd. Nu lijkt het alsof de politie een kordon heeft opgetrokken rond “het juweel van Camden”. Sirenes loeien. Zwaailichten flitsen. Wat is er aan de hand? Niet ernstigs. Er gaat een wedstrijd beginnen in het nieuwe baseball-stadium en wat verder, in het Tweeter Center, treedt Dave Matthews op. Het publiek stroomt toe. Het is een bizar zicht. De hele dag zag ik in Camden bijna alleen gekleurde mensen maar de overgrote meerderheid van de sport- en muziekfans is blank. Ze komen van over de rivier uit Philadelphia en haar voorsteden. In hun eigen wagen: bussen en taxi’s zie ik niet. De politie waakt erover dat de blanke bezoekers niet verdwalen in de armenwijken wat verder. Na de sportwedstrijd of het concert nog wat blijven hangen is er niet bij. Café’s en restaurants zijn er niet in de buurt. Tegen halfelf is iedereen weg. De politie bewaakt nog steeds de verlaten straten. Een jonge zwarte vrouw wandelt voorbij met een kleuter aan elke hand. Uit de andere richting komt een oude zwarte man aangetjokt met een uitpuilende versleten reiskoffer. Ik lig op een bank voor het nu donkere baseball-stadium naar de sterren te kijken. De bus die me terug naar New York zou brengen, staat wat verder in panne. Een andere is onderweg maar niemand kan me zeggen wanneer hij er zal zijn. Er zit niets anders op dan te genieten. Een warme zomerse nacht is een warme zomerse nacht, ook in de ‘gevaarlijkste stad van Amerika’.

6 Juli 2006