"Die thuis 't geluk niet vindt, hij zal het nergens vinden”. Wat zoekt een Antwerpse als Therèse dan in New York?

Links naast de keukendeur hangt een verbleekte reproductie van Millets schilderij van de boer en boerin die op het veld het angelus bidden. Rechts een antiek houten krantenrekje waarop de kop van een herdershond is afgebeeld. Boven de deur een kader met de spreuk: "Die thuis 't geluk niet vindt hij zal het nergens vinden. Die thuis 't geluk niet ziet hij vindt het elders niet." Nee, ik sta niet in een ouderwetse Vlaamse keuken maar in een flat in Brooklyn. "Die spulletjes hingen bij mijn grootmoeder die een boerderij had in Overpelt", vertelt Therèse De Belder in haar Antwerpse tongval. Ze schiet in een lach als ik opmerk dat die spreuk op haar wel heel toepasselijk is. Net niet natuurlijk. Ze lapte dat anti-immigratie-advies aan haar laars en verkaste in 1995 naar New York.

Na haar studies (Romaanse) zag het er nochtans naar uit dat ze haar geluk in Belgie zou vinden. De ingredienten waren er: een vaste vriend, een goede baan als lerares, hechte familiebanden... toch draaide het anders uit. Het begon met een bij-job: klanten adviseren in de parfumerie van een vriendin. Dat ging zo goed dat die vriendin zei: 'jij hebt daar talent voor. Doe er iets mee. ' Daarop schreef Therèse een brief naar geurtjesmaker Estée Lauder in Brussel. “Er stond in dat ik hun producten graag gebruikte en er promotie voor wou maken. Vandaag zou het ondenkbaar zijn maar ik kreeg onmiddellijk antwoord, per telegram nog wel. Het was 1989. Ik was 29. Ik heb 6 jaar voor het bedrijf gewerkt vanuit Belgie. Ik werd in die periode ook verschillende keren naar New York gestuurd. In 1995 bood het bedrijf me hier een baan aan”. Is er iets dat je doet twijfelen om in New York te werken, vroeg men haar. Met haar vriend was het intussen uit, dus daar wrong het schoentje niet. Maar haar moeder was chronisch ziek. "Geen probleem", zegden ze bij Estée Lauder. 'Als je dringend terug naar Belgie moet, dan zorgen we ervoor dat je nog dezelfde dag op het vliegtuig zit'.

Therèse duikt in een van haar kasten om een katoenen sprei te tonen die haar grootmoeder nog heeft gehaakt. "Ik durf hem niet op mijn bed leggen want ik ben bang dat Minou er zijn klauwen in zou zetten". De zwart-witte kater installeert zich natuurlijk prompt op de sprei. "Ik was graag bij mijn grootmoeder", vertelt Therèse, "Het was een heel zelfstandige vrouw. Haar man stierf toen hij begin de dertig was. Ze heeft dan de boerderij alleen verder gezet. Mijn moeder heeft ook altijd van aanpakken geweten. Ze zei me uitdrukkelijk dat haar ziekte me niet mocht tegenhouden om naar New York te verhuizen." Wat haar intussen overleden grootmoeder en moeder niet meer hebben mogen zien is haar kersvers getuigschrift van het befaamde International Center for Photography dat haar een beurs gaf voor een jaar voltijdse opleiding. "Fotografie is al lang een passie van mij”, zegt ze. “In 2008 werkte ik tijdens mijn vacantie mee aan een project in Zuid-Afrika waarin tieners werden opgeleid om hun eigen omgeving te documenteren. Die ervaring was zo aangrijpend dat ik daarna ontslag nam bij Estée Lauder om me volledig toe te leggen op fotojournalisme. Liefst zou ik werken aan projecten zoals dat in Zuid-Afrika."

Ik blader door haar portfolio. De zwart-wit foto's die ze van haar grootmoeder maakte, zijn pakkend. "Ik mocht haar zo lang en zo veel fotograferen als ik wilde", zegt Therèse, "op haar manier heeft ze me veel over fotografie geleerd". De allermooiste foto's zijn die van haar grootmoeder samen met haar intens gelukkig en verliefd kijkende vriend. Ze leerden elkaar kennen toen ze begin de tachtig waren. "Ze waren onafscheidelijk", zegt Therèse. De laatste foto die ze me toont, is er een om nooit te vergeten. Grootmoeder is net overleden, liggend op de sofa thuis zoals ze gevraagd had. Naast haar zit haar vriend, pet op het hoofd, teder naar haar te kijken, zijn gerimpelde handen tot vuisten gebald. "Twee weken later is hij zelf ook gestorven", zegt Therèse.

31 augustus 2010