Wild

Mijn poes Elaba heeft net als al haar buren –katten, honden en mensen inbegrepen- veel respect voor de nieuwste immigranten in onze straat. Het zijn dan ook formidabele gasten. Deze ochtend hoor ik hun raar gebabbel heel dichtbij. Ik kijk uit het keukenraam. Ze staan met vier van in mijn achtertuintje naar het huis te staren. Elaba zit als versteend op de tuintafel. Koene vrouw die ik ben, open ik voorzichtig de keukendeur en sluip het terras op. De indringers houden me in de gaten. Ze staan tussen de rododendron en de hulst. Ze verroeren niet. Als ik nu een geweer had, zou ik ze zo kunnen neerknallen. Niet dat er ook maar een haar op mijn hoofd aan denkt om op die magnifieke schepsels te schieten. Er is anders genoeg vlees aan. Wilde kalkoenen kunnen tot een meter twintig groot worden. Een jaar geleden zag ik de eerste troep in mijn buurt. Met zijn twaalven staken ze op hun duizendste gemak Van Duzer Street over. Het verkeer in de drukke straat stond eerbiedig stil. De allereerste wilde kalkoen die ik in de stad zag was nog een tijdje daarvoor. Hij stond niet ver van de plek waar de boot naar het Vrijheidstandbeeld aanlegt, vol verwachting naar een hotdog-verkoper te kijken. Niemand wist waar de kolos van een vogel vandaan kwam. Hij bleef verschillende weken in het park rondhangen. De hotdog-verkoper had hem Giuliani gedoopt, naar onze vorige burgemeester. “Omdat het beest van niemand bang is”, legde hij uit. De wilde kalkoenen in de achtertuin hebben intussen door dat ik slechts een ongevaarlijke voyeuse ben. Ze nemen hun tijd om terug naar de straat te wandelen. Onze buurman, een persfotograaf, heeft hen ook gezien. Met zijn telelens in aanslag staat hij klaar. “Ga je foto’s maken voor je krant?” vraag ik. “Nee”, zegt hij, “voor mezelf. Wilde kalkoenen zijn geen nieuws meer”. Een andere buurman is intussen bij ons komen staan. “De verpleegsters in de kliniek waar mijn vrouw werkt, durven niet meer alleen naar hun auto’s gaan omdat ze bang zijn van de wilde kalkoenen die op de parking rondlopen”, vertelt hij. Zo hebben we toch nog iets om bang van te zijn nu de misdaad zo scherp is gedaald in New York.

Wilde kalkoenen floreerden ooit in de bossen die stonden waar de stad nu staat. Ik vind het fantastisch dat ze om een of andere reden hun weg terug hebben gevonden. Ze zijn niet alleen. In het begin van de week belde iemand vanuit een taxi naar de opzichters van Central Park. “Ik heb een hyena gezien”, zei hij. Zozo meneer, een hyena he? Enkele uren later, het was toen al donker, belde er opnieuw iemand. Hij zei dat hij zijn hond aan het uitlaten was in Central Park en een wolf was tegengekomen. Twee dagen later was het mysterie opgelost: wat de mannen hadden gezien was een “coyote” of prairiewolf. Op zijn New Yorks werden meteen de grote middelen ingezet om hem te vangen. Tegen dan werd er niet meer over “de coyote” gesproken maar met groeiende affectie over “Hal”, naar het Hallett Nature Sanctuary, de plek in het park waar het dier voor het eerst werd gesignaleerd. Het duurde vier dagen en vier nachten voor onze knappe illegale immigrant zich liet vangen. Net voor hij een tranquilizer in de flank kreeg geschoten zwom hij nog snel een vijver over en sprintte hij voorbij een filmploeg die aan het werk was op de schaatsbaan. Ik vond het jammer dat hij zo snel werd opgepakt. Niemand weet precies hoe Hal in Central Park was geraakt. Een van de theorieen is dat hij uit de bossen ten noorden van New York afzakte via parken in de Bronx en dan zwemmend in Manhattan belandde. Zeven jaar geleden werd er ook een coyote in Central Park opgepakt. Otis, zoals hij gedoopt werd, zit nog steeds gevangen in de dierentuin van Queens. Hal had meer geluk. Hij werd gedeporteerd naar de bossen.

Twee dagen later was er weer wilde-beestennieuws. Een invasie van zeehonden in New York! Nu ja, invasie. Biologen die een jaarlijkse telling van zeehonden hielden zagen er zesentwintig die lagen te zonnen niet ver van Orchard Beach in de Bronx. Op twee onbewoonde eilandjes voor de kust van Staten Island lagen er twintig te soezen op de rotsen voor de ruines van een 19de eeuws hospitaal waar ooit immigranten met besmettelijke ziekten en soldaten met sifilis werden verstopt. In de afgelopen jaren waren er al zeehonden gesignaleerd in Manhattan, Queens en Brooklyn. Nu weten we dat ze opnieuw in de vijf stadsdelen zitten. Ooit krioelde het hier van de zeehonden maar de vervuiling joeg hen weg. De laatste jaren is het water behoorlijk verproperd met als prettig gevolg dat de zeehonden terugkeren. En zij niet alleen. Deze week werden honderden jonge haringen uitgezet in de Bronx-rivier. Het was 350 jaar geleden dat haringen er zwommen. De rivier werd voor hen al in de koloniale tijd verknoeid. Landeigenaars zoals Jonas Bronc, naar wie de Bronx genoemd is, bouwden dammen voor hun molens waardoor de haring niet meer kon terugkeren van de zee om kuit te schieten in de rivier. Later stikte alle leven in de rivier. De oevers veranderden in vuilnisbelten. In 1997 vond een groep bewoners van de Bronx het welletjes en nam zich voor om de rivier weer tot leven te wekken. Een herculiaanse taak maar ze maken vooruitgang. Op warme dagen zie je er weer kano’s varen en er zwemmen al 45 vissoorten in rond. De haring is het nieuwste experiment. Er zijn nog steeds drie dammen maar dit keer zullen er visladders worden gebouwd om de vissen er over te loodsen.



29 maart 2006