Vijftien jaar geleden kreeg ik voor de eerste en tot nu toe enige keer een flesje parfum cadeau van een man. Ik werd er verslaafd aan. Aan het parfum bedoel ik. Gelukkig niet aan de man want hij heeft het niet voor de vrouwen. Een van de prettige dingen aan het subtiele geurtje is dat niemand het lijkt te kennen. Het parfum is dan ook heel moeilijk te vinden. In duty-free shops in luchthavens of in grote parfumzaken in New York vraag ik er niet meer naar. Ze hebben het al jaren niet meer in voorraad.
Zaterdag. Mijn fles parfum staat bijna op nul. Heel binnenkort vertrek ik naar Belgie. Ik wil gewapend zijn. Ik fiets naar een buurt waar rechtschapen burgers volgens de New Yorkse politie beter weg blijven. Als ik de eerste zwarte mensen met volgestouwde zakken en tassen over straat zie zeulen, weet ik dat ik aan de rand van de zogezegde gevarenzone ben. Ik leg mijn fiets vast aan een parkeermeter voor een pizza-zaak waar alle klanten zwart zijn. Ik wandel liever want het verkeer is hier nerveus en druk. Op de hoek staan vier mannen voor een winkeltje van nepsieraden. Met hun gezichten verborgen achter hun kragen loeren ze van de ene straathoek naar de andere, op hun hoede voor de politie, terwijl ze fluisterend hun koopwaar aanbieden: "Nike's…jeans…latest dvd’s…". Hier op dit stukje Broadway, enkele minuten ten zuiden van Macy's, kun je ongeveer alles vinden. Vooral namaak. Voor een winkeltje staan rekken met nep North Face-parka's van 40 dollar. Wat verder lijkt een jeans van 3 dollar gekleefd -zo strak zit hij- op een etalagepop. Al even strakke t-shirtjes met opschriften zoals "Wine me, dine me, sixty nine me" en "I love my sugar-daddy" kosten 2 dollar. Vuitton-tassen, Chanel-zonnebrillen, Jordan Air Force schoenen: allemaal spotgoedkoop. 'Counterfeit Alley', zo noemt de politie dit stukje New York dat zich ruwweg uitstrekt van de 30ste tot de 25ste straat langs Broadway en haar zijstraten. Ze heeft er in de laatste twee jaar voor meer dan 50 miljoen dollar namaak-spullen in beslag genomen en vijftien gebouwen, waarvan elk verdiep een doolhof was van winkeltjes en magazijnen, gesloten maar de namaak-handel blijft bloeien. Het lijkt hier wel een middeleeuwse markt. Ik kan over de koppen lopen. Ik snuif de geuren op van Indische kraampjes waar je voor 2 dollar je honger kunt stillen. De enige agent die ik zie is een zwarte man die zich lijdzaam laat uitschelden door een Afrikaan die net een parkeerboete heeft gekregen. Een Indische jongen reikt me een reclamefolder voor toiletartikelen aan. Hij wijst naar een open metalen deur vol stickers, naast een winkeltje waar synthetische pruiken worden verkocht. "Tweede verdiep", zegt hij. Ik neem de lift naar boven, stap uit en hoor de liftkooi onmiddellijk terug naar beneden zoemen. Ik sta in een drukke, grote zonnige loft die volgestouwd is met shampoo's, cremes, zeep, slipjes en sokken. 'Hoeveel kost dit?" vraag ik terwijl ik een licht beschadigde plastiek halveliter-fles lotion naar omhoog hou. "Vijf dollar", zegt een van de Indische verkopers. Dat is minder dan de helft van wat ik bij de drogist betaal. Mijn merk van deodorant kost hier 2 dollar minder. Bij het buitenwandelen hoor ik twee zwarte meisjes aan de Indische man bij de ingang vragen: "Is het veilig om naar boven te gaan?". "Natuurlijk", zegt de man. Dan voegt hij er plagend aan toe: "Je moet toch een keer sterven." 'Counterfeit Alley' is het koopcentrum bij uitstek voor de armsten; het groezelige maar goedkope alternatief voor de glanzende kooppaleizen op Herald Square wat verder. Je ziet hier dan ook vooral zwarten, wat opvalt omdat de omliggende buurten overwegend blank zijn. Ik wandel verder. Overal staan groepjes mannen aan ingangen van gebouwen te fezelen. Op drie plaatsen zijn er verhitte ruzies aan de gang. Niets ongewoon hier. Vorig jaar werd hier een verkoper vermoord en een andere gewond tijdens een ruzie met klanten en een toerist werd doodgeschoten tijdens een overval in een illegale cd-winkel. De politie greep die incidenten aan om ons te waarschuwen uit deze buurt weg te blijven. Maar ook in de poepchique Madison Avenue gebeuren er toeren -ik herinner me drie gewapende overvallen waarbij minstens een dode viel- en toch heeft de politie nooit opgeroepen om die buurt te mijden. Dat ze ons hier liever niet ziet kopen heeft wellicht meer te maken met het feit dat de stad New York elk jaar een miljard dollar aan taks-inkomsten verliest door de handel in namaak-spullen. Er zijn ook winkels in Counterfeit Alley die volkomen legaal ogen. De nette winkel waar ik nu binnenstap bijvoorbeeld. Langs de muren staan rekken volgestouwd met parfums, van de vloer tot aan het plafond. Vier Indische mannen staan achter de toog. Ik vraag zoals gewoonlijk vier flacons van mijn merk. "Sorry", zegt een verkoper, "Ik kan er al een jaar niet meer aangeraken." "Maar ik kom hier al vijf jaar mijn voorraad inslaan", zeg ik vertwijfeld. "Het spijt me", zegt de man. "Misschien wilt u iets nieuws proberen?" Nee, dank u. Ik moet en ik zal mijn parfum vinden, anders ga ik niet naar Belgie. In de zesde parfumzaak -er zijn hier tientallen, allemaal met Indische mannen achter de toog- vind ik wat ik zoek. Ik inspecteer de verpakkingen. Zoals gewoonlijk zijn ze licht beschadigd. Ik snuif de geur op en nu weet ik zeker dat ik ook dit keer mijn enige echte ware heb gevonden. De verkoper, Gurbachan heet hij, rekent me 5 dollar minder aan per flacon dan wat ik vorig jaar vijf winkels verderop betaalde. Ook dat was al een ongelooflijk koopje. Begrijpe wie het kan maar ondergetekende, taks-ontduikende New Yorker, hoeft het niet te weten.
28 Februari 2007