‘HET OMGEKEERDE VAN BUSH’

Sinds hij president werd, heeft Bush 60 landen en 49 van de 50 Amerikaanse staten bezocht. De enige staat waar hij zich niet liet zien is deze waar we deze week in rondtrekken: Vermont. Toen de Washington Times aan Ari Fleischer, de voormalige Bush-perssecretaris die zelf in Vermont studeerde en er elk jaar op vacantie gaat, vroeg waarom de president de staat vermeed, antwoordde hij: “Vermont is het omgekeerde van George W. Bush”. “Je bent nergens veilig in die staat”, aldus Fleischer, “ze zouden er naar de top van de hoogste berg klimmen om tegen de president te protesteren”. De Republikeinen zijn in de minderheid in Vermont en zelfs zij worden door hun partijgenoten in Washington voor links versleten. Een van de twee senatoren die de staat in het Congres vertegenwoordigen, noemt zich een socialist. De locale kranten die we oppikken fulmineren tegen de oorlog in Irak. In voortuintjes zien we bordjes die eisen: ‘Impeach Bush’ (Zet Bush af). Vermont was de eerste staat in de VS die ‘civil unions’ tussen homo’s erkende. En het bekendste bedrijf in Vermont, ijsroomfabrikant Ben&Jerry, maakt reclame met zijn “progressieve sociale waarden”. Dit is duidelijk niet het stereotiepe Amerika waar Europeanen zo graag mee lachen.

Op de auto-nummerplaten van de Vermonters staat “Green Mountain-state”. De Franse ontdekkingsreiziger Samuel de Champlain die in 1609 het meer opvaarde dat nu zijn naam draagt, doopte de streek “Verde Mont” wat later Vermont werd. De Indiaanse bewoners werden eerst door de Fransen en daarna door de Britten vermoord of verjaagd. Later vochten New Hamsphire en New York over Vermont maar rebellenleider Ethan Allen en zijn Green Mountain Boys kuisten beiden buiten en riepen Vermont in 1777 uit tot onafhankelijke republiek. Die hield stand tot Vermont zich in 1791aansloot bij de Verenigde Staten. Toen al had de staat de reputatie tegendraads te zijn. Toch volgde haar ontwikkeling een klassiek patroon. Bijna drie kwart van de bossen werd gerooid en in de plaats kwam weiland en, na de aanleg van spoorwegen, industrie. Maar in de 20ste eeuw kregen zowel de landbouw (door erosie) als de industrie (door de depressie) zware klappen. De staat ontvolkte. Pas in de jaren 1960 keerde het tij. Het groene, lege, goedkope Vermont werd een magneet voor alternatievelingen uit New York en Boston die “terug naar de natuur” wilden. Ook meer en meer toeristen ontdekten Vermont. Vandaag vormen de inwijkelingen de meerderheid in de nog steeds dunbevolkte staat. Er wonen ruim 600.000 mensen in een gebied groter dan Belgie. Zelfs nu, hartje zomer, hebben we vaak de kleine wegen voor ons alleen. Het is van in april in Corsica geleden dat ik ook overdag naar de stilte kon luisteren. Sommige ‘Woodchucks’ (bergmarmotten) zoals Vermonters die hier geboren en getogen zijn zich noemen, zijn boos op de ‘Flatlanders’ (inwijkelingen) die ze –niet onterecht- de schuld geven voor het feit dat het leven in hun staat zoveel duurder is geworden. Maar in tegenstelling tot hun brandstichtende Corsicaanse soortgenoten gaat hun protest niet verder dan een bord met de machteloze slogan ‘Take back Vermont’ in hun voortuin te planten. We logeren een nacht in Montpelier, de kleinste staatshoofdstad van Amerika.Er wonen 8.000 mensen onder de twaalf kerktorens. Rondom rond zie je beboste bergen. Als je het kapitool (staatsparlement) langs de achterdeur verlaat, komt je op een wandelpad dat 12 kilometer door de bossen slingert. Het gebouw werd in 1837 opgetrokken in graniet uit het nabijgelegen stadje Barre. ‘s Namiddags bezoeken we de groeven, de grootste en diepste van de wereld volgens onze gids. Ze beschrijft de veiligheidsmaatregelen maar zegt niets over de vele honderden arbeiders die hier vroeger verminkt en verpletterd werden. Later dwalen we rond tussen de hoge bergen graniet-afval en verroeste werktuigen. Ze zijn verspreid over verschillende kilometers met daartussen meren die zich in de loop van de tijd hebben gevormd in de afgedankte groeven. Rond de groeven staan nog oude houten huizen waar de arbeiders woonden. De meeste zijn nog bewoond. Sommige zien er armtierig uit, hun voortuintjes bezaaid met rommel. Op de trappen en op zetels op de veranda’s zit hier en daar een bewoner, vaak veel te dik, voor zich uit te staren. We komen ze op onze reis nog regelmatig tegen, de armen van het platteland, in wankele huisjes en caravans waarvan ik me telkens afvraag hoe ze te verwarmen zijn tijdens de brutale noordelijke winters. Nu is het nog augustus en flink warm. Met genoeg geld op zak is Vermont een paradijs. Overal zien we slank volk fietsen, bergen beklimmen, joggen, kajakken en paardrijden. Gezond eten is hier meer dan een slogan. De keuze aan goede restaurants en biologisch voedsel, ook in gewone supermarkten, is opvallend groot. In die supermarkten vind je ook steevast Belgische Ecover-producten. Fast food-restaurants daarentegen zijn zeldzaam en moeten zich aanpassen aan Vermonts milieubewuste normen. Een pas geopende McDonald’s heeft een open haard. Kinderen kunnen er video-games spelen op een computer die enkel werkt als ze pedaleren op een staanfiets. De opzichtige gele boog van McDonald’s ontbreekt. Reclameborden zijn hier streng verboden. In vele dorpjes zien we koffiehuizen, muziek- en boekenwinkels, galerijen, culturele centra, theaterzalen en ongeveer overal een ‘general store’. Die kruidenierswinkels ogen nog steeds als in oude Western-films. Ook aan de inrichting is meestal niets veranderd maar het aanbod van drank en etenswaren is bijzonder ruim. In elke winkel hangen de condooms prominent te koop. De Bible Belt is ver van hier.

27 augustus 2007