Het laatste kind in het bos

Enkele dagen geleden, midden in Manhattan, overviel me ineens een intens verlangen dat ik al lang niet meer gevoeld had. Ik wou gaan kamperen. Niet op een van die luxe-campings met alles erop en eraan maar op een afgelegen plek, ver van alles en iedereen. Hmmm. Hout sprokkelen om te koken want het gasbrandertje is slechts voor in uiterste nood. Een ochtendbad nemen in een tintelend koude rivier. Gewapend met een schopje, ver genoeg van de rivier, een diep genoeg putje graven en dan zoals de poes, zand erover. Op mijn rug naar de sterren kijken. Een beetje bang zijn van onbekende geluiden in het donker. Met gloeiende wangen in slaap vallen bij het houtvuur. Alles en iedereen kan wachten want een telefoon of computer neem ik niet mee. In Amerika zijn er gelukkig nog genoeg van die plaatsen waar je zo kunt kamperen. Dat weet ik uit ervaring.

Ondanks het uniform, de vlaggegroet en de bloeddorstige strijdliederen, reken ik kamperen met de gidsen bij mijn beste jeugdherinneringen. We lachten soms tranen met de onperfectie der dingen. De gesjorde bedden die het op een nacht krakend begaven, de afgedankte legertenten die lekten of de bonen die niet gaar wilden worden omdat het brandhout te nat was. Voor elk probleem dachten we een oplossing te hebben. Brachten we er niets van terecht dan had de leiding ons toch laten proberen. Het enige wat ik storend vond op kamp was de bezoekdag. Mijn ouders konden toch nooit komen. Onze kampen duurden slechts tien dagen. Verschillende van mijn Amerikaanse vrienden wiens ouders het zich konden veroorloven, werden voor heel de zomer op kamp gestuurd. Een ging naar een joods kamp, een ander naar een christelijk en nog een ander naar een socialistisch kamp. Sinds 1997, een beetje laat voor mijn vrienden, is er ook een kamp voor kinderen van atheisten. De traditionele zomerkampen waren niet goedkoop maar wel vrij spartaans. “Dat werd geacht je karakter te stalen”, zegt mijn vriendin Debby. “Waar ik ging was het echt nog de wildernis. Je kon er enkel met een boot naar toe. We kregen elke ochtend havermout voor ontbijt, zwommen in koud zwart fluwelen water, gingen een weeklang op kanotocht met een indiaanse gids.”

Vele van die kampen hebben intussen plaats gemaakt voor villa’s. Debby’s kinderen gaan er niet naartoe. Die van Blythe wel. Ze spelen en sporten, exploreren de natuur. Computers, radio’s, tv’s, telefoons, videogames en airco krijgen ze er niet te zien. Blythe en haar man gingen zelf ook naar zo’n kampen en hebben er niets dan goede herinneringen aan. Maar ze kennen niemand anders die hun kinderen er ook naar stuurt. “De maatschappij is veranderd”, zegt Blythe. “Mensen sturen hun kinderen nu naar kampen met een gespecialiseerd doel – voetbal, basket-ball, muziek of drama- in de hoop dat ze dan gaan uitblinken en een beurs in de wacht slepen om naar de unief te gaan. De concurrentiedruk is groot.”

Die heerlijke afwezigheid van ouders is ook verleden tijd. Een vriendin vertelt dat het kamp waar haar zoon is eist dat ze hem elke dag belt. “Zo leren de kinderen toch niet op eigen benen staan?”, klaagt ze. Sommige kampen hebben zelfs webcamera’s zodat de ouders thuis hun bloedjes op elk moment in de gaten kunnen houden. Een andere nieuwigheid zijn de verpleegsters die erop toezien dat de kinderen hun pillen slikken. Veertig procent van de kinderen in de zomerkampen staat op een dagelijks pillendieet, waaronder opvallend veel anti-depressiva en slaapmiddelen.

Gisteren nam ik afscheid van een Belgische familie die tien dagen door het westen van Amerika had gereisd. “We hebben zeven natuurparken op acht dagen gedaan”, vertelde de moeder. Ik snakte naar adem. In elk van die parken kun je weken doorbrengen en nog niet alles zien. “Hebben jullie wel gewandeld?” vroeg ik. Niet echt, antwoordde de vrouw, maar dat was niet zo erg want haar kinderen deden dat toch niet graag. Ze zijn niet de enige. De National Park Service zegt dat gezinnen steeds minder tijd in natuurparken doorbrengen. In 2003 besteedde het modale Amerikaanse gezin 327 uren meer aan videospelletjes dan in 1987 en volgens de Park Service is dat , toevallig of niet, de hoeveelheid tijd die ze minder in natuurparken doorbrengen. Volgens Journalist Richard Louv lijden Amerikaanse kinderen steeds meer aan een tekort aan natuurervaring. Hij schreef er een boek over waarvoor hij 3000 ouders en kinderen interviewde. De titel klinkt als van een griezelsprookje: “Last child in the woods”. Het laatste kind in het bos. Binnenkort ga ik het zoeken.

Last Child in the Woods: Saving Our Children from Nature-Deficit Disorder door Richard Louv. Algonquin Books.


27 juli 2006