“Welke Broadway-show raad u ons aan?” vragen lezers me regelmatig. “Wie zal volgens u de nieuwe president worden?” is een andere vraag die ik het laatste jaar veel heb gekregen. Op beide blijf ik het antwoord schuldig. In het eerste geval omdat ik zelf heel weinig naar Broadway-shows ga omdat ik ze te duur vind en meestal niet intrigerend genoeg. In het tweede geval omdat Amerikaanse verkiezingscampagnes zo’n grillige affaires zijn dat ik me niet aan voorspellingen waag.
Gisteravond zat ik dan toch nog eens in een rode fluwelen zetel van een Broadway-theater, precies een week nadat Barak Obama zijn volgens sommigen ‘historische speech’ had gegeven over de nog steeds niet gladgestreken verhouding tussen blank en zwart Amerika. De zeldzame keren dat ik naar Broadway ging, viel het me op dat er weinig of geen zwarten in het publiek zaten. Gisteren was dat verfrissend anders. In rij elf waar ik zat, was ik de enige blanke. Het theater zat stampvol. Minder dan een kwart van het publiek was blank. De ambiance was fantastisch. Tennessee Williams had het moeten meemaken. Zijn “Cat on a Hot Tin Roof” werd voor de eerste keer in de Amerikaanse theater-geschiedenis gespeeld door enkel zwarte acteurs. De rollen leken hen op het lijf geschreven. Telkens een nieuwe acteur voor het eerst op de scene kwam, werd hij of zij ontvangen met daverend applaus. Het waren dan ook allemaal beroemde namen. Dikke, sigaar-rokende, ‘Big Daddy’ werd gespeeld door eminence grise James Earl Jones, zijn vrouw ‘Big Mama’ door Philicia Rashad, bekend door de Cosby-show, Brick door Terrence Howard en Maggie door de hele mooie Anika Noni Rose, een van de sterren uit Dreamgirls en de stem van Prinses Tiana in de nieuwe Disney-tekenfilm “The Princess and the Frog”.
“Cat on a Hot Thin Roof” veroorzaakte een schandaal in het puriteinse Amerika van de jaren 1950. Het is een rauw, pijnlijk, eerlijk, bij tijden grappig en taboe-doorbrekend stuk. De ‘damned’, ‘fucks’ and ‘shits’ die lang uit het origineel script werden weggecensureerd, vlogen ons rond de oren. Tennessee Williams zou tevreden geweest zijn.
Tijdens de pauze stond ik naast twee zwarte mannen die elkaar uitbundig lachend omhelsden. “Man, het is zeker dertig jaar geleden sinds we elkaar zagen”, zei een van hen. Voor twee uitgelaten oudere zwarte dames wat verder was het ook al een onverwacht blij weerzien na vele jaren. “Het is de eerste keer dat ik naar een Broadway-stuk kom kijken”, zei een van hen. Vorige week werden er voor 700.000 dollar aan kaarten voor “Cat” verkocht. Dat is een enorm bedrag voor een niet-musical. De producer Stephen Byrd, zelf een zwarte die met “Cat” aan zijn eerste theater-productie toe is, schat dat het publiek voor 70 tot 80 procent uit zwarten bestaat. Hij is zo tevreden dat hij plannen heeft voor nog vier andere producties waaronder multiraciale versies van“A Streetcar named Desire” en “Death of a Salesman”. Tot enkele jaren geleden ging men er in theaterkringen wat paternalistisch van uit dat zwarten nooit in dichte drommen naar Broadway zouden komen. Zelfs de productie in 1987 van “Fences”, van de beroemde zwarte toneelschrijver August Wilson, trok amper een zwart publiek. Vier jaar geleden kwam daar verandering in met een revival van “A Raisin in the Sun”. Rap-fenomeen, filmacteur en modeontwerper Sean Combs (alias P.Diddy of Puff Daddy) speelde de hoofdrol. De eerste weken modderde het stuk wat aan maar na negen weken, voornamelijk door mond-aan-mond-reclame onder zwarten, was het uit het rood en trok het avond na avond volle zalen. De meeste trouwe, lees blanke, Broadway-gangers hadden er dan weer geen interesse in. In 2005 kwam de musical “The Color Purple” uit. Ook dat werd een succes bij zwarten. Er kwamen ook meer blanken op af maar de trouwste Broadway-klanten –blanke dames van middelbare leeftijd die vijf tot zes keer per jaar naar een show gaan- lieten het stuk links liggen. Een blanke vriend van me uit de theaterwereld denkt dat zwarten meer naar Broadway gaan omdat er meer bekende zwarte namen op de planken staan. Maar dat is natuurlijk geen typisch zwart fenomeen. De massa withuiden die vorige zomer een hele nacht in de rij stond kaartjes te bemachtigen voor “Moeder Courage” en “De Meeuw” in Central Park, deed dat ook voor de starpower van Meryl Streep en Natalie Portman, eerder dan die van Brecht en Chekhov. Maar in een sector waarin minder dan één in vier shows er in slaagt om zijn onkosten te recupereren, valt het natuurlijk op dat “Cat” de derde Broadway-show in vier jaar is die een voornamelijk zwart publiek trekt en het supergoed doet. Het toont dat de welstellende zwarte middenklasse in New York gegroeid is. Of dat nieuwe zwarte Broadway-publiek nu ook zijn weg zal vinden naar blanke Broadway-shows is nog een open vraag. Wat de vraag van lezers naar Broadway-tips betreft, durf ik nu toch enkele suggesties doen: de zwarte “Cats” en binnenkort “Country Girl” met Morgan Freeman en “Thurgood” met Laurence Fishburne, twee zwarte sterren. Niet alleen zal u uitstekend geacteerd theater zien maar ook de interessante ervaring meemaken om een van de weinige witte bonen tussen zwarte te zijn. Een beetje het omgekeerde dus van wat Obama te wachten staat, mocht hij president worden.
27 maart 2008