“En wie is je beste vriend in New York?” vraagt een Belgische oma aan haar New Yorks kleinkind. “Bobby”, antwoordt de kleine enthousiast. Oma: “Is dat een kindje uit je klas?”. “Nee”, zegt de kleuter, “Bobby is onze ‘doorman’.”
Een miljoen New Yorkers –een op acht dus- passeren, net als dat klein meisje, hun ‘doorman’ telkens als ze hun flatgebouw binnen- of buitengaan. De portiers in hun keurige uniformen, sommige compleet met gouden epauletten en witte handschoenen, zijn zo NewYorks als de gele taxi’s, de koetsen in Central Park of de Empire State Building: zelfs wie hier nog nooit is geweest kent hen van films en foto’s. Op Fifth Avenue aan Central Park en in de zijstraten wemelt het van de portiers. De Upper East Side, zoals die buurt wordt genoemd, is dan ook het rijkste stadsdeel van Amerika, met een gemiddeld jaarlijks gezinsinkomen van 350.000 dollar. In een flatgebouw met een portier wonen is een status-symbool. De portiers houden houden taxi’s tegen en autodeuren open en helpen kleine kinderen en oude mensen bij het in- en uitstappen. Ik zie hen met boodschappentassen en bagage van bewoners zeulen, parkeerplaatsen vrijhouden, post sorteren, bloemstukken, pakjes en pizza-dozen van Mexicaanse jongens op fietsen in ontvangst nemen, vrachtwagen-leveringen inspecteren op bommen en granaten, bezoekers telefonisch aankondigen bij bewoners, straattypes die iets te lang rondhangen aan de ingang verzoeken om door te lopen en kinderen van bewoners de straat helpen oversteken. In de nieuwe designer-gebouwen in Soho, Chelsea of Tribeca zijn de portiers jong en knap: ze worden duidelijk op hun uiterlijk gekozen. Loop ik langs nummer 1185 op Park Avenue dan voel ik me even in een tijdmachine. De portiers van dat gebouw hebben dezelfde uniformen als New Yorkse politieagenten uit oude films –een traditie die begon in de jaren 1950 toen de rechter in de fameuze Rosenberg-spionagezaak daar woonde en door echte agenten bewaakt werd. Sommige portiers zien er vriendelijk uit, anderen hautain, nog anderen geamuseerd of onverschillig. Bobby, de doorman van het Belgische kleutertje, lijkt ronduit lief. “Hij neemt telkens de tijd om met haar te praten en naar de tekeningen te kijken die ze meebrengt van school”, zegt haar moeder, “voor een kind in een grootstad is dat heel wat”. Verleden week zag het er naar uit dat haar dochter het een tijd zonder haar beste vriend zou moeten stellen. De vakbond van de New Yorkse portiers, liftbedienden en onderhoudspersoneel –28.000 mannen en vrouwen sterk- van meer dan 3.500 flatgebouwen dreigde met staking. Flatbewoners begonnen zich te organiseren om het werk van de stakers over te nemen, zoals ze tijdens een staking in 1991 hadden gedaan. Ook in het gebouw van mijn Belgische kennis stelden de bewoners beurtrollen op om hun gebouw draaiend te houden. Het bleek niet nodig. Op het laatste nippertje werd een compromis bereikt. Tijdens het debat heb ik weer een en ander bijgeleerd over een van de radertjes van de stad. Zo was ik blij te vernemen dat een portier gemiddeld 37.300 dollar per jaar verdient. Al is dat lang niet genoeg om zelf in een gebouw met een portier te wonen, een hongerloon is het allerminst. Vooral als je bedenkt dat ze rond kerstdag van veel bewoners een fooi krijgen. De omvang daarvan varieert uiteraard met de gulheid van deze laatsten maar het telt op. Komt daarbij dat hun werkgevers hun ziekteverzekeringspremie -gemiddeld 9.700 dollar per jaar- volledig dekken, wat in het Amerika van vandaag niet langer vanzelfsprekend is. De werkgevers wilden dat terugschroeven, wat tot de bijna-staking leidde. Op het vlak van ziekteverzekering wonnen de portiers het pleit. Ik ben blij voor hen maar 45 miljoen Amerikanen kunnen zich geen ziekteverzekering meer veroorloven. Dat hun aantal dagelijks groeit kan ik goed begrijpen. Mijn eigen ziekteverzekering werd net verhoogd met 70 dollar, naar 620 dollar per maand. In tegenstelling tot de portiers krijg ik daar niet eens tand- of oogverzorging voor. Dat zou me een bijkomende premie kosten die mijn budget te boven gaat. Dat budget is dus duidelijk veel te klein om in een gebouw met een portier te kunnen wonen. Wat mis ik? Kennissen die dat privilege wel genieten, hebben er uiteenlopende meningen over. “Ik heb soms het gevoel dat ik bij mijn moeder woon”, zegt een van hen, “Die kerels weten wanneer en met wie ik thuiskom… Ze zien wie dronken of high is. Ze roddelen onder elkaar over de bewoners…” Een andere vriend heeft alleen maar lof voor de portiers van het gebouw waar zijn hoogbejaarde ouders wonen. “Het is dankzij hun waakzaamheid dat mijn vader en moeder nog zelfstandig kunnen wonen”, zegt hij. En een kennis met een agressieve ex zegt dat ze zich zonder de portier niet veilig zou voelen in haar eigen flat. Zou ik er zelf ook een willen? Misschien maar dan een op vier poten, met een pels,een natte neus en een kwispelstaart. Een vervanger van mijn trouwe portier die drie jaar geleden naar de eeuwige snuffelvelden verhuisde. Hij moet bij voorkeur 3, hoogstens 4 maanden oud zijn, ‘stratier’ van afkomst, liefst met een flinke scheut fox-terrier, geen overdreven blaffer. Zijn ziekteverzekering neem ik volledig voor mijn rekening. Kandidaten kunnen zich melden op het onderstaand adres.
26 april 2006