“U kan ervan uitgaan dat het Vlamingen zijn als de kaarters dronken zijn en roken terwijl in de achtergrond iemand iets onbetamelijks doet. Zoals plassen in een hoekje of flirten met de dienster”
Aan het woord is Gary Tinterow, een deftige meneer die eruitziet alsof hij wel nooit zal flirten met de dienster. Hij is de curator van “Cézanne’s kaartspelers”, een nieuwe tentoonstelling in het Metropolitan Museum.
Kaartspelers hebben al veel kunstenaars geinspireerd en Cézanne had vele van hun werken gezien. Vandaar dat de tentoonstelling begint met een selectie van 17de en 18de eeuwse werken over hetzelfde thema. Teniers en Brouwers houden inderdaad van ruige lol. In de werken van de Italianen, zegt Tinterow, duiken dan weer vaak valsspelers op. Zo toont elk volk zijn kaarten.
Een mooie reputatie hebben wij. Maar het is beter dan geen reputatie, niet? Om de waarheid te zeggen, ik vrees dat het aantal Amerikanen voor wie het woord “Flanders” iets oproept, aan de extreem-lage kant ligt. Walen, Vlamingen, Belgen, vraag hen niet het verschil uit te leggen. De Belgische regeringscrisis is een kelk die de media hier aan zich voorbij laten gaan, behalve als Marleen Temmerman met een seksstaking dreigt. In een locale krant lees ik dat Staten Island ontstaan is toen de Hollandse gouverneur Peter Stuyvesant in 1661 grond toekende “aan Nederlandse, Franse en Belgische pioniers”. Belgen in 1661? Ach wat, Ambiorix was ook een Belg.
Later sta ik in de lobby van de Rose Hall in de Time Warner Building op Columbus Circle. Ik kijk er naar de intieme foto’s van in sigaretterook gehulde muzikanten van Frank Stewart, de huisfotograaf van Jazz Lincoln Center. “Fotografen kennen de Vlaamse schilders”, wordt hij in een van de muurteksten geciteerd. Hij zei dat hij veel van hun geleerd had wat lichtinval en compositie betrof.
Het is druk in de lobby. Er is veel volk opgedaagd voor het Washingtonse Opera-gezelschap Lafayette dat vanavond ‘Le Magnifique’ van André Grétry opvoert. “Was Grétry French?” hoor ik iemand vragen. “No, Belgian”, antwoordt haar gezel. Grétry werd geboren in Luik in 1741 en overleed in 1813, achttien jaar dus voor Belgie werd gesticht. Zijn komische opera wordt door de Amerikaanse zangers in het Frans gezongen. De volle zaal lijkt het zot buitelende verhaal te smaken. Het helpt dat er boven het podium een band loopt met de vertaling.
De volgende avond ben ik op een receptie van de Belgische consul. De conversaties zijn, zoals gewoonlijk op dit soort gelegenheden, een mengelmoes van Engels, Frans en Nederlands. De aanleiding van het feestje is de lancering van een dik boek getiteld “Belgium at the Fair. Exile on Main Street”, uitgegeven door de Universiteit van Gent. Architect Henry van de Velde ontwierp voor de New Yorkse Wereldtentoonstelling van 1939-40 een toen heel vernieuwend Belgisch paviljoen. Het werd al in 1941 ontmanteld maar een bakstenen toren die deel uitmaakte van het complex werd op de campus van een zwarte universiteit in Virginia herbouwd. Het is nu dringend aan restauratie toe. Het boek, een collaboratie tussen Belgische en Amerikaanse researchers, wil deze en andere Belgische architectonische realisaties op wereldtentoonstellingen van de vergetelheid redden.
Nog op de receptie lucht een Belgische dame die ook in New York woont haar hart. In maart houden de 36 Belgische eethuizen een promotiecampagne, waaraan uiteraard een tombola is verbonden. Restaurantbezoekers kunnen twee prijzen winnen: een reis van vier dagen naar Wallonië en een reis van vier dagen naar Vlaanderen. “Kun je het geloven?”, zegt ze verontwaardigd, “ons landje is al kleiner dan een gemiddelde Amerikaanse staat en dan zeggen we tegen de Amerikanen dat ze er maar een helft van mogen zien! En dat in het kader van een promotie voor Belgische restaurants!” Het is niet voor niets dat die restaurants zich als ‘Belgian’ en niet als ‘Flemish’ of ‘Walloon’ afficheren. “Het is verschrikkelijk”, zegt iemand die op de Vlaamse dienst voor toerisme werkt in ‘Flanders House’. “Belgie is het enige aanknopingspunt dat Amerikanen hebben maar wij moeten erover zwijgen”.
26 februari 2011