Antwerpen, New York, Detroit: zeg niet te gauw dat een stad is gestorven
"De metropolis van de wereld", "het commercieel hart van de wereld", "magnifiek", "met een beurs waarvan het grondplan in latere beursgebouwen over heel de wereld werd gevolgd" en "straten zo druk op weekdagen dat men er amper doorgeraakt"... Ik lees deze beschrijvingen in "Master of Shadows", een boek van de New Yorker Mark Lamster. Hij heeft het niet over zijn eigen stad maar over het 16de eeuwse Antwerpen rond de tijd toen de ouders van Peter Paul Rubens, over wie het boek gaat, trouwden. Vier kinderen later sloeg het echtpaar, zoals vele duizenden andere Antwerpenaren, op de vlucht voor de jihad van het Spaanse leger. Tegen de jaren 1620 was de bevolking van de stad met meer dan de helft geslonken. "De winkels en kraampjes op de Grote Markt en de Meir waren zo goed als leeg. De dokken lagen stil", schrijft Lamster. Hij citeert een Engelse diplomaat die observeerde dat "Antwerpen een stad was zonder mensen" terwijl het uit zijn voegen barstende Amsterdam "een volk was zonder stad". Mensen sterven en dan is het voorgoed met hen gedaan. Steden verklaar je beter nooit voor dood. Antwerpen, Amsterdam, New York: het zijn enkele van de vele steden met een fascinerende cyclus van vallen en opstaan.
Een week geleden was ik in Detroit. In haar glorietijd, in het begin van de jaren 1950, woonden er meer dan twee miljoen mensen. "De problemen van Detroit zijn al een halve eeuw bezig", zei burgemeester Dave Bing op een persconferentie, "ook vorig jaar zijn er weer tienduizenden bewoners vertrokken." Hij schatte dat de stad het nieuwe jaar is ingegaan met 850.000 inwoners. In het gebouw waar hij onze vragen beantwoordde, was de Internationale Autoshow net geopend. "De tijd van de monocultuur van de auto in Detroit is voorbij", zei de burgemeester, "we moeten diversifieren. We hebben nieuwe belastingsinkomsten nodig anders gaat de stad ten onder." Later die ochtend liep ik onder een bijna verblindende winterzon langs enkele van Amerika's mooiste torengebouwen. Enkele zijn schitterend gerestaureerd. Anderen staan al jaren leeg. Plaats zat voor nieuwe ideeen. Die avond namen twee vrienden kunstenaars, Tom en Shirley, me mee naar Mario's. "Een mafia-hangout in Cass Corner", zegden ze. Cass Corner is een wijk die lang berucht was wegens drugshandel en straatprostitutie. Voor mij was het een beetje thuiskomen. Vorige lente logeerde ik er een tijdje tussen de chaotische mengeling van recent gerestaureerde 19de eeuwse villa's, nieuwbouw en zwartgeblakerde ruines. Mario's bestaat sinds 1948. Het is een grote, ouderwetse tent met veel rood fluweel, stofferige lusters en porties groot genoeg voor twee met overschot voor de hond. Tavern on the Green in New Yorks Central Park, lang Amerika’s best renderende restaurant, was na nieuwjaar verplicht om na 40 jaar haar inboedel te veilen maar bij Mario's waren bijna alle tafels bezet. Tom en Shirley waren gerust in de toekomst van de Italiaan. "Het begint weer beter te gaan in de buurt", zei Tom die vroeger niet ver van hier schilderles gaf in Wayne University. Vastgoed is nu zo goedkoop in Cass Corner dat het avontuurlijke mensen lokt met ideeen die ze nergens anders zouden kunnen waarmaken. Voor dessert namen mijn vrienden me mee langs de nieuwste aanwinsten. "De straatverlichting was hier jarenlang uit om kosten te sparen”, vertelde Tom, "maar nu heeft de stad ze weer aangesloten." We passeerden het Burton Theater, een bioscoop in een oud schoolgebouw waar buitenlandse films worden getoond en ‘Curl Up and Dye’, een kapperzaak in retro-stijl. "Die doet het heel goed", zei Shirley, "zelfs kids uit de voorsteden komen naar hier". Wat verder zagen we ‘Good Girls Go to Paris’, een nieuw pannekoekenhuis naast Leopold's, een boekenwinkel. "En dat is Breezecab", wees Shirley, "die hebben twee rickshaws waarmee ze stadsrondleidingen geven." Noem me naief. Maar als doodverklaarde steden als Antwerpen en New York zich keer op keer konden herpakken dan durf ik hopen dat Detroit dit ook kan. Ooit...
26 januari 2010