Een Canadese vriend die in hetzelfde gebouw woonde als ik in een zwarte buurt in Brooklyn, vertelde me het volgende verhaal: "Als kind was ik met mijn ouders naar een tv-show aan het kijken waarin een zwarte man danste. 'Hij lijkt een aap', zei ik. Mijn vader, die helemaal niet opvliegend van aard was, gaf me een oplawaai van jewelste. 'Dat ik je nooit nog zoiets hoor zeggen!', zei hij streng. Later begreep ik dat hij flink moet geschrokken hebben. Vanwaar kwam die opmerking moet hij zich hebben afgevraagd. Niet alleen had ik toen nog nooit een zwarte persoon in levende lijve gezien maar mijn ouders hadden ook nooit racistische opmerkingen gemaakt." Mijn vriend verdiende die klap niet; hij was een kind dat geen flauw idee had dat het iets onacceptabel zei. Hetzelfde kan niet gezegd worden van de The New York Post die op 18 februari een cartoon publiceerde die vele mensen schokte. Wat eraan vooraf ging: op 17 februari waren bij een chimpansee in Connecticut, na een leven van pampers dragen, aan tafel eten en in bad gaan, de stoppen doorgeslagen. Hij had iemand aangevallen en zwaar verminkt en werd later doodgeschoten door de politie. De volgende dag stond er in The New York Post, de rechtse tante onder de New Yorkse kranten, een cartoon die de aap afbeelde, liggend in een bloedplas, met kogelgaten in de borst. Twee agenten staan er op te kijken. De ene heeft een rokende revolver in de hand. De andere zegt: "Ze zullen iemand anders moeten vinden om het volgende stimulus-plan op te stellen." Op de vorige pagina stond een foto van president Obama die zijn handtekening onder het stimulus-plan zet. De krant reageerde verbaasd toen ze van racisme werd beschuldigd. Volgens hoofdredacteur Col Allen wou de cartoonist enkel de onbekwaamheid hekelen waarmee het stimulusplan was opgesteld. Maar velen vonden het moeilijk om te geloven dat de eeuwenoude traditie van blanke racisten om zwarten uit te schelden voor apen de cartoonist niet geinspireerd had. Dat de aap die voorgesteld werd als de auteur van het stimulusplan- Obama dus- met kogelgaten in zijn hart werd afgebeeld, vonden sommigen ronduit sinister, gezien de vele doodsbedreigingen aan het adres van de zwarte president. De volgende dag betoogden honderden mensen voor het gebouw van The New York Post. Die namiddag kwam ik mijn zwarte buurvrouw misses Bellamy tegen. Ze is al jaren actief in de NAACP, de vereniging voor zwarte burgerrechten. "Met wie ik ook spreek over de cartoon", zei ze, "zwart, blank, latino, iedereen vindt het onbegrijpelijk dat zoiets nog kan verschijnen, in New York nog wel." Later zat ik op de metro The New York Times te lezen. Een zwarte jongen en meisje stapten op. "Boycott the Post", riep de jongen naar een bejaarde blanke die onverstoord zijn Post bleef lezen. Wat later stak hij zijn duim op naar mij. "The New York Times is een goede krant", zei hij. "Ik ben daar niet zo zeker van", zei ik en ik toonde hem de twee schamele paragraafjes die The Times aan het incident wijdde. Ondanks de protesten kwam de krant er de volgende dagen niet meer op terug. Ook de andere NewYorkse kranten besteedden er nauwelijks aandacht aan. Vonden ze dat de cartoonrel geen nieuwswaarde had? Of vonden ze de materie te explosief en besloten ze daarom de flater van hun concurrent met de mantel der liefde te bedekken?
"We zijn in essentie een land van lafaards", zei Eric Holder, de nieuwe Justitieminister diezelfde dag in een speech, "we zijn bang om met elkaar te praten over ras." Ik vind dat hij in essentie gelijk heeft. Researchers van de Stanford University concludeerden vorig jaar uit een onderzoek dat de associatie van zwarten met apen zo diep geworteld is in de blanke cultuur dat ze verankerd blijft in het onderbewuste, zelfs van jongeren die de raciale spanningen tijdens de strijd voor gelijke burgerrechten niet hebben meegemaakt. Niet alleen in Amerika. Denk aan de oerwoudgeluiden op Belgische voetbalvelden. In deze krant vloeide onlangs uit de kleurige pen van Hugo Camps het woord 'bosneger' toen hij een figuur uit de Belgische voetbalwereld wou karakteriseren. ‘Bosneger’ komt van het Amerikaanse ‘bushnigger’ en wordt in mijn woordenboek verklaard als "benaming voor gevluchte negerslaven en hun afstammelingen ". Een moedig en taai volkje dus, met zin voor initiatief, maar zo is het woord niet bedoeld. Wie iemand als ‘bosneger’ brandmerkt, suggereert dat hij meer aap dan mens is. Nu is het wel zo dat Camps dat scheldwoord tegen een blanke gebruikte. Een Waal weliswaar maar toch een bleekhuid. Ik mag ik er niet aan denken wat er zou gebeuren mocht ik het woord naar het hoofd van een zwarte Amerikaan slingeren.
Racisme blijft een open wonde in Amerika. Zo was de storm rond de chimpansee-cartoon nog niet geluwd toen de gouverneurs van enkele van de armste staten in de 'deep south' verklaarden dat ze weigerden de subsidies in het stimulus-plan te accepteren die bedoeld zijn om langer en meer werkloosheidsteun te geven aan categorieen -laag geschoolden, halftijdse werknemers, mensen die moeten stoppen met werken door een ernstige zieke in hun gezin of mishandeling door een partner- die door de krisis het hardst zijn getroffen. Volgens de gouverneurs zou die steun hen maar ontmoedigen om eigen benen te leren staan. Toevallig of niet zo toevallig zijn het vooral zwarten die in die staten door de maatregel zouden worden geholpen terwijl de (Republikeinse) gouverneurs het van blanke stemmen moeten hebben. De gouverneurs ontkennen natuurlijk dat hun standpunt ook maar iets met racisme te maken heeft. Maar volgens mij heeft Eric Holder gelijk. Amerika –nee, heel de wereld- is bang om over ras te spreken.
25 februari 2009