ANTI-SOCIAAL

Het is pas donker geworden. De gemene wind is eindelijk gaan liggen. De temperatuur is geklommen tot het vriespunt. Dit is een ideale tijd om door Manhattan's Upper East Side te wandelen. Er dwarrelen wat vederlichte sneeuwvlokjes door de lucht. Ze zouden perfecte figuranten zijn in een van Woody Allens romantische straatscenes. Allen woont hier en gebruikt zijn buurt, de duurste van de stad, vaak als décor en soms ook als onderwerp. Fotogeniek is ze wel. Kijk hoe de 69ste straat zich klaarmaakt voor de zoveelste gezellige winteravond. In het elegante herenhuis waar het Malinees consulaat is gevestigd, brandt nog een enkel amberkleurig bureau-lichtje op het tweede verdiep. In het met rode damast beklede salon bij de buren sippen welgeklede gasten cocktails onder het licht van de kristallen luchter. In het herenhuis aan de overkant, een mini-paleis van witte marmer, speelt een klein meisje op een zwarte vleugelpiano onder ovale olieportretten in vergulde kaders. In het eveneens 19de eeuws huis ernaast schitteren boeketten witte lelies onder spotlichtjes in een al even wit, strak interieur. Vier yorkshire-terriertjes in winterjasjes tippelen voorbij met een portier in uniform aan hun leibanden. Ik loop de trappen op van de ook al paleisachtige Columbus Citizen Foundation, een van de vele exclusieve privé-clubs die zich al een eeuw of meer in de Upper East Side hebben genesteld. Een brede geelgrijze marmeren gang versierd met grote ruikers bloemen geeft uit op een barokke eetzaal waar net een tafel blanke gasten wordt bediend door twee zwarte kelners in witte uniformen. Aan de overkant kan ik binnenkijken in de enorme keuken van een herenhuis die, zoals in de 'goede, oude' Upstairs-Downstairs-tijd, nog steeds in de kelderverdieping is. Twee donkerbruine vrouwen in zwarte uniformen en witte schortjes zijn er bezig met het avondeten. Op een dienblad staat een delicaat ogend blauw servies voor twee personen te wachten. Op het glanzend zwarte aanrecht staan wel tien plastieken flacons met medicijnen. Er naast ligt een hoorn van overvloed aan verse meloenen, ananas, bananen, sinaasappelen en pompelmoezen. Het huis heeft vijf verdiepingen maar slechts een bel, het discreet teken dat hier een gefortuneerde familie woont. Naast de dienstingang staat achter twee witte pilaren een zwarte vuilniszak waar een paarse winterjas en een beige trui uitpiepen. Meer dan eens heb ik in New York perfecte kleren -soms met het prijsetiket er nog aan- gered van de vuilkar maar in dit geval denk ik er niet aan om in die zak te rommelen. Ik weet dat hij niet voor de vuilkar is bestemd en ook niet voor de toevallige voorbijganger. Die spullen zijn van Roger Greenlee. Greenlee is het soort dakloze man die op veel andere plaatsen al lang zou opgepakt zijn en in de psychiatrie gestopt. Hier in deze chique buurt laat men hem al 14 jaar zijn gang gaan. Natuurlijk zou hij niet overleven zonder engelbewaarders. Een van hen is de man die in dit huis woont: Edward Baron Cohen, een van de rijkste burgers van New York. Edward en Roger kennen elkaar al 14 jaar. Al die jaren kreeg Roger de overschotjes van Edwards rijke tafel en mocht hij zijn spullen parkeren achter de witte pilaren van het herenhuis. Soms deed hij er ook een dutje. Noch Edward noch zijn buren hadden daar bezwaren tegen. Maar een andere schatrijke man die om de hoek een winkel heeft wel. Hij heeft Roger en drie van zijn lotgenoten voor de rechtbank gedaagd. Hij eist een miljoen dollar schadevergoeding van het daklozenkwartet.

Het is bijna zes uur. Een jongeman in een duur maatpak laat net het ijzeren rolluik naar beneden van antiekzaak Karl Kemp & Associates op Madison Avenue. Of meneer Kemp er nog is, vraag ik. 'Nee', zegt hij kortaf. Op het voetpad voor de winkel, zit Roger tussen enkele plastieken tassen boven een rooster waar warme lucht uit komt. Dit is zijn winterverblijf, al jaren. Hij krabbelt in zijn lange grijze baard en mummelt tegen zichzelf. Beter van hem niet te storen. Hij is de laatste dagen al genoeg gestoord door antiquair Kemp en zijn advocaat. Kemp beschuldigt de daklozen ervan dat ze zijn klanten storen met hun "anti-sociaal, beledigend en verwerpelijk gedrag". Daarmee bedoelt hij dat ze drinken, af en toe wildplassen en op de grond spuwen en dat Roger, een zelfbenoemde predikant, hen bijbelse verwensingen naar het hoofd slingert. Buren Gucci, Cartier, Chanel en Prada hebben nog nooit geklaagd. "Hij stinkt soms", zegt een verkoper van schoenwinkel Cesare Paciotti naast de antiekwinkel, "maar voor de rest hebben we nog geen enkel probleem met hem gehad. We hebben hem nooit gevraagd om weg te gaan. Dakloos zijn is geen misdaad in New York." Roger is nog steeds tegen zichzelf aan het prevelen. Ik stap op de volgende hoek de Anglikaanse St. James Church binnen, een van New Yorks rijkste en mooiste kerken. Twee daklozen zijn er zich aan het opwarmen. Thomas, een bewaker, zit aan de ingang. "Ja, ik ken Roger", zegt hij met een glimlach, "iedereen in de buurt kent hem". Volgens Thomas is het een ongeschreven regel in de Upper East Side dat de daklozen met rust worden gelaten. Parvenu Kemp heeft die nu overtreden en wordt door de andere rijken met de nek aanzien. “Het zal Kemp nooit lukken om de daklozen weg te krijgen”, zegt Thomas. Hij pocht over alles wat zijn kerk en andere in de buurt voor de daklozen doen. “De daklozen weten dat hier goed volk woont en daarom blijven ze hier rondhangen. Als ik ooit dakloos word, kom ik ook naar de Upper East Side."

24 januari 2007