"Waarom kijk je zo treurig?" vraagt de jongen die net uit de '5&10 Bar' komt. "Omdat ik mijn fiets mis", zeg ik. Dat is geen leugen. Wandelend door Detroit heb ik vandaag herhaaldelijk gedacht: dat had je beter met de fiets gedaan. Voor de '5&10 Bar' staan wel honderd fietsen. Binnen lijkt het feest. Er wordt gedanst, er wordt geklonken. Iedereen draagt een lichtblauwe t-shirt. Ook de jongen die me aansprak. Hij is de organisator van de fietstocht. "We doen dit jaarlijks", zegt hij, "we fietsen van café naar café. Het is een leuke manier om Detroit te verkennen". Wacht even, zegt hij. Hij loopt naar binnen en keert terug met een t-shirt voor mij. "Om je te troosten", zegt hij. Er staat een fietswiel op de shirt met tussen de spaken het woord voor fiets in diverse talen, zelfs Nederlands. Op de achterkant staan de adressen van alle café's op het parcours van de vrolijke bende.
Ik begon mijn weekend met een wandeling langs de hoofdader, Woodward Avenue, naar het pas gerenoveerde Detroit Institute of Arts. Daar loopt de tentoonstelling "Through African Eyes: The European in African Art". Anders dan in New Yorkse musea is ruim de helft van de bezoekers zwart. Ik sta wat gegeneerd naast een bejaard zwart koppel te kijken naar een stuk ivoor waarin geboeide slaven en zwepen-zwaaiende opzichters zijn gekerfd. Wat verder moet ik lachen met een 'bril' en 'polshorloge' gemaakt uit gouddraad voor een Congolees stamhoofd. Het is een tentoonstelling die aan de ribben blijft plakken. Nog op Woodward Avenue bezoek ik het kleinere Museum of Contemporary Art waar Jef Geys tentoonstelt. In een bij de show horend “Kempens Informatieblad” trekt Geys van leer tegen kunstenaars die "de geruineerde gemeenschap van Detroit" als "tijdelijk recreatiegebied" beschouwen. "Karkasopportunisten" noemt hij hen. Het lijkt me een onverdiende uithaal naar artiesten die het aandurven om hier te wonen en werken. Zelf heeft hij intussen lekker veel museumruimte gekregen in deze 'geruineerde gemeenschap'.
Als ik uit het museum kom, steekt er een felle, warme wind op. Enkele straten verder kom ik terecht ik in een muziekfestival. Het Concert of Colors beslaat 3 podia, een buiten en twee binnen. Twee dagen lang spelen er tientallen groepen. Alles is gratis. Er wordt gedanst dat de brokken er af vliegen op allerlei genres muziek. Overal huppelen kinderen rond. Detroit is niet enkel miserie.
De zon gaat onder als ik over de nieuwe promenade langs de Detroit-rivier wandel. Ik ben een van de weinige witte bonen tussen de zwarte. Het is druk aan het water maar als ik terug naar mijn hotel ga, kom ik haast niemand tegen. In deze stille straten voel je dat je in een stad bent die voor meer dan de helft ontvolkt is. Een halve eeuw geleden zou het hier op een zomerse zaterdagavond vol hebben gelopen. Morgen word ik verwacht in Rossville, een voorstad van Detroit, op een feest waar 200 nakomelingen van Belgische immigranten zullen zijn die de vette jaren nog hebben meegemaakt.
De volgende ochtend vraag ik aan mijn taxichauffeur om een ommetje te maken langs 'the Belgian Church'. Ze ziet er goed uit. De architect en de makers van de glasramen en andere kunstwerken in de kerk waren allen Belgen. In 2000 werd het gebouw overgenomen door een zwarte gospelkerk. Daarmee werd een punt gezet achter de Vlaamse parochie die sinds 1857 in Detroit bestond. Het Belgisch feest is georganiseerd is door de "Gazette van Detroit", de moedig voortboerende twee-wekelijkse krant voor Amerikanen en Canadezen van Belgische afkomst. De eregast is de 90-jarige Karel Denys die na 30 jaar dienst als pastoor het licht uitdeed in de Belgian Church. Hij wordt omstuwd door oud-parochianen, waaronder verschillende zwarten. De exodus van blanken uit Detroit was al volop bezig toen hij er pastoor werd. "Hij had een geweldig aanpassingsvermogen", zegt een oud- parochiaan. Zin voor humor wellicht ook. Dat vermoed ik toch als ik hem zie monkelen terwijl de Belgian-American Band een haast onherkenbare versie van de Vlaamse Leeuw brengt.
24 augustus 2010