Er gaat geen dag voorbij of er staat wel een verhaal in de New Yorkse kranten over het zoveelste stukje oude stad dat onverbiddelijk voor de bijl gaat om plaats te maken voor iets dat meer winst opbrengt. ‘Oud’ kan in deze context zo recent zijn als 23 jaar geleden, toen het bekende Franse restaurant Florent zijn deuren opende in het Meat-district. Florent is het slachtoffer du jour. Het eerste jaar betaalde hij 1.350 dollar huur per maand voor zijn dag en nacht draaiend restaurant. Nu eist zijn huisbaas 30.000 dollar per maand. Dus bye bye Florent. Op 29 juni serveert hij zijn laatste mosselen met frieten. New York was 23 jaar geleden geen van geld en glamour druipende metropool. De worm zat in de big apple. Vele buurten zagen er vuil en ruig uit. De meat-district, waar Florent Morellet zijn eettent opende, was een van de smoezeligste wijken van Manhattan. Slagersgasten,vrachtwagen-chauffeurs, hard-core gay clubs en prostituees van alle slag zorgden ervoor dat niemand er de nacht aan slapen verspilde. Morellet, toen een party-boy en drag-queen en nu een gay- en buurtactivist, voelde er zich thuis. Intussen is de buurt hypermodieus geworden. "De meisjes die hier nu op naaldhakken rondstrompelen over de kasseistenen omdat ze dat gezien hebben in 'Sex and the City' hebben geen clue over het verleden van de wijk", zegt Florent.
"De metamorfose van de stad in een gigantisch shopping-paleis zorgt voor een kolossale ontwrichting en ontkleuring", zegt mijn vriend, urbanist Justin Ferate. Het is een late zondagochtend en we wandelen langs de speeltuinen van Seward Park in de Lower East Side, de buurt die deze week door de National Trust For Historic Preservation werd bestempeld als een van de elf meest bedreigde historische plaatsen in de VS. "Maar toch", zegt Justin en hij wijst om zich heen, "zijn er gelukkig ook nog plaatsen zoals deze." De buurt rond het park heeft iets van een slaperig dorp. Justin kent ze op zijn duim. "Seward Park werd aangelegd in 1913", vertelt hij, "het was de eerste gemeentelijke speeltuin van het land. Het park kwam er onder invloed van Jacob Riis". Riis was de Deense fotograaf en auteur wiens onverbloemd portret van de armoede in Lower East Side in zijn boek "How the Other Half Lives" de eerste verbeteringen in de ooit vreselijke sloppenwijk in gang zette. Op het onooglijk kleine Nathan Straus-pleintje aan de rand van Seward Park is een Chinees dametje bezig met duiven voeren. "Straus lanceerde een campagne die er in1919 toe leidde dat schoolkinderen in heel het land gratis melk kregen", zegt Justin. Hij wijst naar de honderd jaar oude bibliotheek wat verder, ook aan de rand van het park. "Dit was ooit de drukst bezochte bibliotheek van New York. In de jaren 1920 tot de jaren 1940 was ze 18 uren per dag open -van 6 uur 's morgens tot 1 uur 's nachts- zes dagen per week. De mensen stonden buiten in de rij te wachten tot er binnen een plek vrijkwam. We passeren een keurig gerestaureerd 19de eeuwse gebouw dat boven zijn buren uit torent. "Dit waren de kantoren van de socialistische 'Forward', ooit de meest gelezen Jiddische krant ter wereld”, zegt Justin. “Nu is het een luxe-flatgebouw en bij mijn weten het enige in New York met een gevel waarin de koppen van Bakoenin, Kropotkin, Marx en Lenin zijn verwerkt". Wel, er is nog de 'Red Square', een duur flatgebouw enkele straten verder, waar, bij wijze van post-moderne marketing stunt, een meer dan levensgroot bronzen standbeeld van Lenin op het dak pronkt. Justin wijst naar een simpel Chinees restaurantje naast de 'Forward'. "Daar was 'The Garden Cafetaria', de ontmoetingsplaats van linkse intellectuelen in de Lower East Side. De redactie van de Forward hing er ook rond. Emma Goldman (“Als ik niet mag dansen, dan wil ik je revolutie niet”) woonde erboven met haar lief”. In Eldridge Street, waar alle winkeltjes en restaurants nu Chinees zijn, stappen we binnen in de Eldridge Street Synagogue. De grandioze, Oosters aandoende synagoge werd in 1887 gebouwd. Ooit trok ze massa’s gelovigen maar tegen de jaren 1950 werd ze zo leeg dat de hoofd-bidruimte werd afgesloten. Een kwart eeuw geleden kon ik er een kijkje nemen. Het regende er binnen. De houten vloeren en banken zaten onder een dikke laag grijs stof. Het ging zo slecht met de stad dat ik betwijfelde of het gebouw ooit zou hersteld worden. Moet je het nu zien. Het ziet er prachtig uit, half synagoge, half moskee.Toch weer een stukje oude stad gered.
Uren dwalen we nog rond. Langs Hester Street waar de 'Khazzer Mark' ("Varkensmarkt") was waar Riis over schreef: "Men kan er ongeveer alles kopen (behalve varkensvlees) aan belachelijk lage prijzen... De massa's die tegen elkaar botsen... duwend, trekkend, babbelend en roepend in vreemde talen, een ware Babel van verwarring." We eindigen onze tocht in bakkerij Kossar's Bialys. Het is een van de enige plaatsen waar nog echte 'bialys' worden gebakken. Dat zijn broodjes volgens het recept dat Joodse immigranten uit Polen meebrachten. Ze danken hun naam aan Bialystok, een Poolse stad die een belangrijk joods centrum was tot de joden er door de nazi’s werden uitgeroeid. "Op Mel Brooks", zegt Justin voor we onze tanden in een nog warme Bialy met ajuin zetten. “Brooks’ familie was van Bialystok”, legt hij uit. “Hij noemde een van de hoofdfiguren in The Producers Max Bialystok. "Het was zijn gebaar naar de verloren joodse gemeenschap van die stad."
22 mei 2008