STROOMVERSNELLING

Ik sta aan de rand van een ravijn. Met mijn hand boven mijn ogen tegen de zon kijk ik speurend naar beneden. Mijn indianen-pose doet me in een lach schieten. De drukke bijenkorf die Columbia University is, ligt achter me. In de ravijn onder me ligt Morningside Heights Park. Tot nog niet zo lang geleden zou ik er, zelfs overdag en in gezelschap, niet aan gedacht hebben om er door te wandelen. Het was een van Harlems beruchtste parken. Maar nu niet meer. Het park is heel veilig geworden. Vandaar dat ik lachte toen ik mezelf er op betrapte dat ik hier onwillekeurig nog even behoedzaam rondkeek als vroeger. Dertig treden onder me is een zwarte man aan het turnen. Beneden, tussen de kale bomen, zie ik een jong blond meisje joggen. Ik herinner me de smurrie die hier vroeger lag. Nu kom ik zelfs geen snoepwikkeltje tegen op de gerestaureerde elegante granieten trappen die naar het park beneden leiden. Van boven rond de universiteit en van de straten langs het park stijgen geluiden op van bouwwerven. Heel Harlem is een bouwwerf tegenwoordig. Ik wandel de 120ste straat af pal oostwaarts, de zon tegemoet. In Harlem zijn niet alle straatnamen droge nummers. Van Broadway naar Fifth Avenue kruis je er de Frederick Douglas, Adam Clayton Powell Junior en Malcom X Boulevards. De zwarte iconen wiens namen ze dragen zouden hun ogen niet geloven mochten ze al die nieuwbouw zien. Op de hoek van Malcolm X Boulevard en de 120ste straat stap ik café-bakkerij Settepani binnen. De eigenares, Leah Abraham, oogt elegant met haar dure brilmontuur en zijden Aziatisch jasje. Ze is 47, van Eritrese en Ethiopische afkomst. Ze baat haar zaak uit samen met haar Italiaanse man, Nino Settepani. "In 1999 kochten we twee leegstaande winkelpanden", vertelt ze, "we braken de tussenmuur uit en investeerden bijna één miljoen dollar in de zaak. Op de dag van de opening stond er een half uur op voorhand al een lange rij. Ik ging naar buiten en zei: 'Jullie zullen moeten wachten. Ik heb er meer dan een jaar aan gewerkt en ik wil dat alles perfect is’. Een vrouw in de rij zette haar hand op haar heup en zei: 'Well honey, we've been waiting for you for 30 years'.” Ze lacht. “Ik moest dus wel de deuren openen." Toch draaide de zaak aanvankelijk niet goed. Het was vlak na 9/11 en New York kende een economische inzinking. “Er waren dagen dat we er overtuigd van waren dat we kopje onder zouden gaan.” Maar gelukkig keerde het tij vrij snel. “Nu gaat het gesmeerd. Harlem zit in een forse stroomversnelling. Er komen voortdurend nieuwe bewoners, blanken zowel als zwarten. Wat ze gemeen hebben is dat ze geld hebben en een goede opleiding. Dat zorgt natuurlijk voor spanningen met bewoners die hier, uit vrije wil of omdat ze geen keuze hadden, zijn blijven wonen tijdens de moeilijkste en gevaarlijkste jaren. Ik merk dat goed in de zaak. In het begin was iedereen zeer hartelijk tegen ons. De laatste jaren voelen we meer vijandigheid. Er zijn al mensen binnen gekomen die tegen de tafels en stoelen schopten en klanten uitscholden. Vorige zomer stond er een man voor de deur die schreeuwde: 'Dit is mijn buurt!" Ze kijkt even bezorgd maar glimlacht dan weer. "Het is mijn buurt ook. Ik ben niet van het soort investeerders die alleen maar naar Harlem komen om er winst te maken en dan met het geld weg te lopen. Wij wonen hier, we delen lief en leed. De zaak is twee keer overvallen. Een keer kreeg ik een pistool tegen mijn slaap gedrukt. Maar we laten ons geen schrik aanjagen."

De zwarten die nu in Harlem komen wonen, zijn vaak kinderen en kleinkinderen van Harlemnaars die wegtrokken toen de buurt in verval raakte. Daarom worden ze volgens Leah minder scheef bekeken dan blanke inwijkelingen. Die vijandigheid is ergens te begrijpen: de hoge bedragen die de nieuwkomers bereid zijn te betalen hebben de huren van iedereen fors omhoog getrokken. Voor haar armste bewoners wordt Harlem onbetaalbaar. Toen de zwarte burgemeester Dinkins in het begin van de jaren 1990 een loterij uitschreef om duizenden leegstaande panden in Harlem onder de marktprijs te verkopen, grepen veel van de achtergebleven bewoners die kans niet aan. Sommigen waren te arm maar anderen geloofden eenvoudigweg niet dat Harlem nog kon heropleven. Nu dat vastgoed zo duur is geworden, hebben ze daar spijt van. “Sommige zijn bitter”, zegt Leah. “Ze klagen: We hebben gevochten tegen de drugs, misdaad en slechte scholen en nu de dingen beter gaan, zijn het de nieuwkomers die ervan profiteren en niets terug geven. Als ik dat hoor dan zeg ik: het spijt me maar ik heb Harlem alles gegeven wat ik heb." Als we afscheid nemen, tel ik vijftien klanten in de zaak. Het is een multiraciaal gezelschap, net als het personeel. Op straat stappen twee blanke vrouwen me haastig voorbij; een houdt een blauwdruk onder haar arm. Op de hoek van Fifth Avenue zit een portier in de met schilderijen en verse bloemen opgesmukte lobby van een nieuw flatgebouw. Links daarvan werken mannen en vrouwen -zwart en blank- zich in het zweet in een fitness-club; rechts is er een duur nieuw kapsalon. Ik kom in de 117ste straat waar ik de metro wil nemen. Ik herken de straatblok nog amper. De helft van de oude gebouwen, waaronder een kerkje, zijn verdwenen. In de plaats ervan staat een hoge glazen woontoren. De drie kerkjes in de straat die de bulldozers hebben gespaard, lijken dwergen. Naast de ‘Kalahari’ zoals het nieuw flatgebouw is gedoopt, zien de piepkleine kraampjes van de Afrikaanse bazar er nog onooglijker uit.

22 februari 2008