JU

“We zijn helemaal te voet gegaan van ons hotel naar de kade waar de Intrepid moest liggen”, vertelt Luc beteuterd, “maar hij lag er niet”. Ik knik. Had ik geweten dat hij die lelijke oorlogsboot/museum wou bezoeken, dan had ik hem kunnen verwittigen. De Intrepid is in herstelling en ligt nu aan een kade niet ver van mijn huis. Zelfs als dat niet het geval zou zijn, zou ik hem een bezoek hebben afgeraden. “Er zijn zoveel boeiender dingen te zien in New York dan de cliché’s waar de reisgidsen je naartoe sturen”, zeg ik. Lucs aandacht is afgeleid door de rij van wel twintig paarden die rustig staan te wachten op passagiers voor koetsritjes door Central Park. “Dat moeten we ook nog doen hé schatje”, zegt hij terwijl hij zijn arm verliefd rond de schouders van zijn vrouw legt. Ik snuif de geur van de paarden op. Sommige New Yorkers klagen wel eens dat de dieren stinken maar ik vind ze lekker ruiken, mest en al. “Kijk”, zeg ik tegen mijn vrienden, “een Brabants trekpaard.” Ik vraag aan de koetsier hoe het heet. “Mario”, zegt hij. Ik streel het paard over zijn neus. “Ju”, zeg ik zachtjes om zijn Vlaams te testen. Mario verroert gelukkig geen vin. “Wat is het hier lawaaierig”, zegt Miriam, de vrouw van Luc. Ze heeft gelijk. Het is altijd druk en chaotisch aan de wachtplaats voor de paarden op de hoek van Fifth Avenue en de 59ste straat. Toeterende taxi’s. Voorbij denderende dubbeldekkers. Duizenden slenterende toeristen en haastige New Yorkers. Bouwvakkers die hameren en boren om het dure Plaza Hotel nog luxueuzer te maken. “Eergisteren schrok een koetspaard toen een jongen die er vlak naast stond op een trommel sloeg”, vertel ik, “het dier sloeg op hol en gallopeerde over het voetpad. De koets bleef steken tussen twee palen zodat het paardje niet meer vooruit geraakte. Het is ter plekke gestorven, wellicht aan een hartaanval. Een ander paard in de rij sloeg ook in paniek. Het is met koets en al over een Mercedes-Benz gesprongen. Het paard overleefde en de passagiers in de zwaar beschadigde auto waren gelukkig niet gekwetst.” Tot mijn genoegen vindt Miriam het vooruitzicht van een koetsritje al een stuk minder aanlokkelijk. Als ik op mijn paard zit ben ik moeilijk te stoppen dus vertel ik ook nog over het oude paard dat vorig jaar bezweek terwijl de toeristen er op stonden te kijken en een ander paard dat rond diezelfde tijd op hol sloeg en tegen een auto liep. “De koetsier was zwaar gekwetst en het paard moest afgemaakt worden”.

Het ongeval van enkele dagen geleden kwam op de hielen van een rapport van de stad dat de omstandigheden aanklaagt waarin de 221 New Yorkse koetspaarden werken en wonen. Volgens het rapport zouden de dieren vaker gecontroleerd moeten worden door dierenartsen om te zien of ze wel sterk genoeg zijn om koetsen te trekken. Op straat krijgen ze vaak niet genoeg water en is er niet genoeg schaduw zodat ze oververhit geraken op hete zomerdagen. Ze staan vaak met hun poten in hun eigen uitwerpselsen. Hoewel het rapport van de stad zelf uitgaat, krijgt het stadsbestuur ook een veeg uit de pan. Het had beloofd om een commissie op te richten die over het lot van de koetspaarden zou waken en heeft dat niet gedaan. Nu zou daar eindelijk werk van gemaakt worden. Mijn vriendin Melissa die een boek schreef over de speciale relatie tussen paarden en vrouwen, zal tevreden zijn. Ze was jaren actief in de ‘Coalition to Ban Horse-Drawn Carriages’ (‘coalitie voor het verbod van paardekoetsen’). Een absoluut verbod van de koetspaarden zit er voorlopig niet in. Wel overweegt de stad om de paarden onder te brengen in Central Park zodat ze niet meer door het hels verkeer moeten. Daar zou dan meteen een manege aan gekoppeld worden. De laatste manege van Manhattan, de Claremont Riding Academy, sloot op 29 april definitief haar deuren. 115 jaar leerden New Yorkse kinderen er paardrijden. Grote en kleine ruiters hoefden van de manege maar enkele honderden meter te rijden naar het ruiterpad in Central Park. Er waren 45 paarden. Een rijabonnement was er niet goedkoop: 500 dollar voor tien uren. Toch beweerde de eigenaar dat hij verlies leed. Pas een week voor hij de manege sloot, verwittigde hij zijn klanten. Hun tranen, smeekbeden en petitie, en de media-aandacht die het verlies van het zoveelste stukje oude romantisch New York in de verf zette, konden hem niet vermurwen. In de plaats van de manege zou er alweer een luxe-flatgebouw komen. De dichtste manege is nu 16 kilometer verder in de North Bronx. Ze was meteen volgeboekt. Nu de laatste manege dicht is, schieten er in Manhattan, waar op het einde van de negentiende eeuw nog vele tienduizenden paarden rondliepen, nog enkel de 221 koetspaarden en 28 politiepaarden over. Die laatste worden verwend: ze hebben net een nieuwe, ruime stal gekregen op Pier 76 met een hooizolder, paardedouches en een traningspiste die in de winter verwarmd wordt. In andere stadsdelen heeft de NYPD nog 57 paarden. Ze wil haar cavalerie nog met 35 rossen uitbreiden. De politie zegt dat de dieren geweldig populair zijn bij het publiek, potentiele misdadigers afschrikken en uiterst efficient zijn om grote menigten te controleren. Bij de laatste rekenen ze natuurlijk ook stakers en betogers zoals de New Yorkers die de laatste jaren op straat kwamen om te protesteren tegen het oorlogsbeleid van hun president.

21 september 2007