Ik heb een slechte nacht gehad. Opnieuw en opnieuw dwaalde ik door een verlaten school. Alle ramen waren aan diggelen. De vloeren van de klaslokalen en lange gangen waren bezaaid met handboeken, papieren, stoelen en bureau’s. Overal lag hondepoep. In wat ooit de feestzaal was geweest, heerste dezelfde chaos. Het rode podiumgordijn lag op de grond, smerig, gescheurd en onder het stof. In een scheefgezakte glazen kast lagen nog enkele denneappels en een schedel van een knaagdier met oranje snijtanden. Drie uurwerken, het glas nog intact, waren op de grond gevallen. Ze stonden alle drie op halftien, het tijdstip waarop de electriciteit in het gebouw voorgoed werd afgesloten. Op een met struiken en bomen overgroeide binnenkoer kwetterenden vogels. Voor de rest was het stil. Plots hoorde ik woest geblaf. Behoedzaam liep ik verder door de gang. Onder mijn voeten kraakte gebroken glas en plaaster. In lokaal 208 zag ik haar. Ze gromde van de schrik. Een wreedaard had haar vastgebonden aan een veel te kort touw. Ze was zo mager dat ik haar ribben kon tellen. Nergens was een drink- of eetbakje te bespeuren.
Ik wou dat ik kon schrijven dat ik die school en die honingkleurige pitbull enkel in een nachtmerrie had gezien maar ik zag ze gisteren echt. In Highland Park, een stadje dat op aanstichten van Henry Ford werd losgescheurd van het omliggende Detroit omdat Ford geen stadsbelasting wou betalen. Net als Detroit heeft Highlands Park al een halve eeuw lang ongelooflijke klappen gekregen. Werkloosheid, bevolkingsvlucht en misdaad hebben ze vernield als een oorlog. Ik verkende die buurt in het gezelschap van Tom, onze New Yorkse vriend en fotograaf Andy en onze gidsen: Daniel, een jonge Servier en zijn Duitse vrouw Silke die al jarenlang in Detroit wonen en zich Urban Explorers noemen, mensen die illegaal lege gebouwen binnengaan en verkennen. Uitgerust met walkie-talkies en een lange zaklamp die in geval van nood ook als verdedingswapen kon dienen, had Daniel ons via een trap naar de pikdonkere schoolkelder geleid vanwaar we in de rest van het gebouw geraakten. “De laatste keer dat we hier kwamen, liep er een bende zwerfhonden rond”, had hij verwittigd voor we binnengingen. Op zijn minst waren die sukkels niet vastgebonden. De Ferris school was niet het eerste gebouw dat we samen hadden verkend. In de dagen ervoor waren we binnengeglipt in Michigan Central, het verlaten, twintig verdiepingen tellend stationsgebouw dat in 1913 werd gebouwd door dezelfde architecten die het immense New Yorkse Grand Central Station ontwierpen. In de wachtzaal, geinspireerd op Romeinse baden, waren nog marmeren pilaren en bogen te zien. Via de bovenste verdiepingen die nooit werden afgewerkt noch gebruikt klommen we op het dak. In de warme meizon baadde een landschap dat er met zijn vele kerktorens -Detroit had ooit de bijnaam “stad der kerken”- en grasvelden haast bucolisch uitzag, als we even de wolkenkrabbers en fabrieksruines wegknepen. In haar hoogtijd, zestig jaar geleden, had Detroit 2 miljoen inwoners. Vandaag schieten er nog 820 000 over. De meesten die wegtrokken waren blank. 85 procent van de achtergeblevenen zijn zwart. De laatsten wonen in wat de groenste stad van Amerika moet zijn want de natuur heeft er gretig tientuizenden braakliggende stukken en lege huizen, fabrieken, scholen, bibliotheken, kerken en speeltuinen heroverd. Van het station reden we naar de leegstaande Packard-autofabrieken. We zwierven uren rond in de hallucinant grote, met vuilnis bezaaide en met grafitti beschilderde hallen en gangen. Op een van de met putten bezaaide wegen op het fabrieksterrein stond iemand foto’s te nemen van een glanzend nieuwe rode Audi met een half ineengestort gebouw op de achtergrond. Op het dak zagen we metershoge populieren die wortel hadden geschoten in de asfalt. Terug op de begane grond stootte ik op een hond waar niet veel meer van overschoot dan het geraamte en de huid.
Na onze tocht door de verlaten school in Highland Parks reden we langs de nu ook grotendeels leegstaande, meer dan een kilometer lange oude Fordfabriek, de eerste ter wereld waar de lopende band werd gebruikt. Veel arbeiders trokken na hun shift ongetwijfeld naar hun huizen niet ver van de fabriek. Highland Park moet gewemeld hebben van jonge gezinnen met kinderen. Nu wonen er niet alleen veel minder mensen, ze lijken ook aan hun lot overgelaten. We stopten aan het politiebureau, de brandweerkazerne en het gemeentehuis. Ze zijn alle drie, net als de Ferris school, met inboedel en al in de steek gelaten. We keken door de ramen van een elegante, bijna honderdjarige bibliotheek. De ingang was dichtgespijkerd met spaanderplaat. De rekken stonden nog vol boeken. Antieke bureaustoelen, van het soort dat in New York voor veel geld wordt verkocht, stonden her en der verspreid, grijs van het stof. U begrijpt dat ik na zo’n dag de slaap niet kon vatten. Mijn gedachten bleven afdwalen naar de verlaten school en de hond. “Van alle interieurs van vervallen gebouwen die ik heb gefotografeerd, vind ik de scholen het meest deprimerend”, had Andy gezegd.
Voor wie het zich afvraagt: Ik heb de plaatselijke dierenbescherming gebeld om hen te verwittigen van de pitbull in de school. “We zullen er naar toe gaan”, beloofde een beleefde mannestem. “Denk je dat ze het zullen doen?”, vroeg ik aan Daniel. Hij lachtte schamper en zei: “Wat denk je? Je bent hier in Detroit”.
20 mei 2009