TAPIJTEN

Vijfduizend soldaten vielen de stad binnen. Ze trokken moordend, plunderend en brandstichtend door de straten. De orgie van geweld duurde een week. Na afloop bleven 6.000 inwoners dood achter. 800 huizen lagen in ruine. De tapijtenbazaar, de trots van de stad, was in een spooksteeg veranderd. De soldaten hadden honderden van de mooiste en duurste tapijten weggesleept. De verkopers en wevers die de slachting overleefd hadden, vluchtten naar tolerantere streken. Sommigen voorgoed. De aanleiding van al het zinloos geweld: religie. Mijn god is beter dan de uwe. Voor de zoveelste keer. In dit geval heette de stad Antwerpen. Het jaar: 1576. Spaans katholiek tegen noordelijk protestant. Onder het artistiek volk dat dat de tapijten maakte, was er nogal wat sympathie voor de reformatie. Ik sta in het Metropolitan Museum te kijken naar een gravure van Frans Hogenberg die de dwaze vernietiging illustreert. Zijn “Sack of Antwerp” ligt bescheiden in een hoek onder glas in de eerste zaal van de pas geopende tentoonstelling “Tapestry in the Baroque: Threads of Splendor”. De 44 tapijten (van het laatste kwart van de 16de tot het midden van de 18de eeuw) uit elf landen zijn de sequel van de tentoonstelling die de MET vijf jaar geleden organiseerde over Renaissance-tapijten. Dat werd een onverwachte blockbuster. De kans is groot dat de baroktapijten nog een groter sukses worden. De kunstcriticus van the New York Times noemde ze stupifying” en “awesome”. Zelf ben ik hier voor de tweede keer deze week. Het is zes uur ‘s avonds. Het museum ging drie kwartier geleden dicht.

“C’est une privilege”, zegt een man in het grotendeels Belgisch gezelschap met wie ik door de lege zalen van het museum wandel. Zelfs de bewakers zijn niet meer op post. Het privilege van hier na sluitingsuur rond te lopen, danken we aan de Society of Friends of Belgium, een vereniging die zich inzet om Belgische kunst in het buitenland te promoten. Ze is een van de sponsors van de tapijtenshow. Voorzitter Francois de Visscher, een Leuvenaar die al meer dan 30 jaar in Amerika woont, heet ons welkom. Francois sprak als kind thuis Frans en ging naar een Vlaamse school. Nu spreekt hij Engels. Hij introduceert Elizabeth Cleland die de tentoonstelling hielp maken. Ze is half- Brits, half-Vlaams. Ze vertelt dat Vlaanderen het centrum van de tapijtkunst was tot de heilige oorlogen van het einde van de zestiende eeuw Europa verscheurden en de zuidelijke Nederlanden isoleerden. Om nog aan de bak te komen, moesten vele van de beste Vlaamse wevers en ontwerpers emigreren. Dat was jammer voor Vlaanderen maar goed voor Europa want zo verspreidden ze hun kunst naar Duitsland, Holland, Frankrijk, Engeland, Italie en Scandinavie. De helft van de tapijten in de tentoonstelling zijn door Vlamingen gewoven en verscheidene andere zijn door Vlaamse emigré’s ontworpen.

Het eerste wat opvalt aan de wandtapijten is hoe groot ze zijn. Groter dan de grootste schilderijen in het museum. Ik sta nu voor een stralend tapijt van zeven meter op vijf, ontworpen door Rubens. Te groot om zoals andere werken via de kelders te worden binnengebracht. Via de hoofdingang dan maar, de monumentale trappen op. Het kostte twintig mensen een hele dag voor het ding op zijn plaats hing. Het heeft een titel die vandaag –en toen misschien ook- grimlachjes opwekt: “De triomf van de kerk over onwetendheid en blindheid”. Het was besteld door aartshertogin Isabelle, die het wou schenken aan het klooster in Madrid waar ze zich wou terugtrekken. Maar ze mocht niet vertrekken van haar pa, koning Filip, omdat ze als landvoogdes in onze kontreien toch wat populairder was dan de beul die haar voorafging.

Tapijten waren toen een belangrijk statussymbool. De beste waren dan ook krankzinnig duur. Er zat ongelooflijk veel arbeid in. Ook het materiaal was kostbaar. Er werd veel goud- en zilverdraad in verweven zodat ze in de met kaarslicht verlichte zalen een fonkelende gloed uistraalden. En natuurlijk kostte het een aardige duit om beroemde ontwerpers in dienst te nemen. Sterren zoals Jordaens, Le Brun, Rubens. Deze laatste was de superster, de grote vernieuwer van de barokke tapijtkunst. Zijn expressieve, onstuimige, rijk -geschakeerde taferelen braken radicaal met wat vooraf ging. De Barok-tapijten waren de Imax-filmschermen van hun tijd. Een mens geraakt er niet op uitgekeken. Enorme gespierde buitelende paarden, woeste zeeen, veld- en zeeslagen, tropische flora en fauna, Neptunus met een hele aquarium zeedieren aan zijn voeten, dreigende krijgers, lijkbleke drenkelingen, gedroogd en vers bloed, wratten en rimpels, dijen alom om u tegen te zeggen, een overvloed aan blote huid en lange wapperende haren… en ga zo maar door. Het is entertainment voor groot en klein.

Hoewel ik de tapijten voor de tweede keer zie, duurt de rondleiding naar mijn smaak niet lang genoeg. Om ons te troosten volgt er nog een receptie bij de Belgische consul. Het is er zo gezellig dat we tot het einde blijven. Het valt me op dat ik niemand over de Belgische politiek hoor praten. Is het onderwerp te kies? Te verwarrend? Te triestig? Te belachelijk? Of all of the above ? Ik hoor Nederlands, Frans en Engels door elkaar. Ik hou van die mengelmoes van klanken. Die kosmopolitische talenmix was ook te horen in de grote tapijtateliers van Brussel en Antwerpen, voor de terreur van de bekrompenheid toesloeg en Vlaanderen van de buitenwereld afsloot.

2 November 2007