Surfin’ N.Y.C.

“Als mensen me vragen waar ik op vacantie ga, dan zeg ik: naar de Ierse Riviera.” Elizabeth Felicella plant haar surfplank in het zand en schudt haar lang, van het zeewater druipend bruin haar naar achter. We zijn niet ver van de JFK-luchthaven in Rockaway Beach, dat met zijn 15 kilometer Amerika’s langste stedelijke strand is. Vroeger was het populair bij Ierse immigranten en ander werkvolk, vandaar de bijnaam ‘Ierse Riviera’. “Veel van mijn vrienden komen hier surfen”, zegt Elizabeth, “We huren met twaalf een bungalow; andere surfergroepjes doen dat ook. De meesten van ons wonen en werken in Manhattan en Brooklyn maar in onze vrije tijd zijn we hier. In de zomer is het superheerlijk. We barbecuen, geven fuifjes... je moet wel gek zijn om uren in files te rijden naar de stranden van de Hamptons of Fire Island.” Ze kijkt met een tevreden blik naar de zee waar minstens veertig andere surfers dobberen, glijden, tuimelen, kopje onder gaan en proestend bovenkomen. “De meesten komen met de metro”, zegt ze, “Vanuit Manhattan ben je met de A-trein een klein uur onderweg. Het handige van de bungalow is dat ik niet telkens mijn surfplank moet heen en weer zeulen.”

Surfen is niet direct iets wat je met New York associeert. Ik mag er niet aan denken dat ik zelf op zo’n plank zou gaan staan dus geloof ik Elizabeth op haar woord als ze zegt dat de golven hier niet moeten onderdoen voor die van Californie. “De beste tijd om te surfen in New York is in de herfst, tijdens het orkaanseizoen”, zegt ze, “dan komen er surfers uit heel het land”. Vorig jaar besloot de stad om het stuk strand waar we nu zijn voor te behouden aan surfers. De bijna 400 meterlange strook is de enige ‘surfers only beach’ van New York. “Het werd tijd”, zegt Elizabeth, “daarvoor kon je een boete krijgen als je hier surfte want in New York mag je de zee niet in als er geen redders zijn. Het was soms wel spannend. Vooral in de weken nadat iemand was verdronken zat de politie ons op de hielen.” Elk jaar verdrinken er een paar mensen in Rockaway want de stroming is er heel sterk. Als je niet goed kunt zwemmen moet je het hier niet doen. Je gaat in het water tot aan je knieen en hops, de stroming stoot je omver en sleurt je mee. Maar surfers zwemmen als waterratten. Dat ze nu hun eigen strand hebben, heeft volgens Elizabeth een nadeel: het wordt te populair. “Soms zijn we met meer dan honderd en zo veel plaats hebben we nu ook niet gekregen.” Elizabeth gaat zich douchen en omkleden. Ze moet terug naar Manhattan, het werk roept. Ik rijd door Rockaway en schud mijn hoofd in ongeloof. Hoe kon New York zo’n juweel laten verkommeren! Al die braakliggende terreinen en leegstaande gebouwen vlakbij het strand, je houdt het niet voor mogelijk. Ik ken plaatsen waar de zomers minder lang en warm zijn maar waar het direct vol hotels, luxe-flats en villa’s zou staan. Het verhaal van Rockaway lijkt op dat van Coney Island, die andere verlepte beauty queen aan New Yorks kust. Beiden moeten adembenemend mooi geweest zijn toen Henry Hudson er in 1609 langs zeilde. Ongerepte zandstranden, intieme baaitjes, massa’s watervogels, Indiaanse visserskampen, onbezoedeld zeewater: in 1639 “verkochten” de Mohikanen het allemaal aan de Hollanders. Rockaway had toen al zijn naam. Het zou een verbastering zijn van de Indiaanse naam “Reckowacky”, “plek van de lachende waters”. Ik hoor ze nog giechelen als de surfers hun golven kietelen. Rockaway bleef zo goed als onbewoond tot een groep beleggers er in 1833 het luxe-hotel Marine neerzette. Het was meteen een hit bij de fine fleur van New York. Een ferry bracht de gasten van Manhattan naar Brooklyn, vanwaar ze per koets naar het hotel reden. De Marine ging ten onder aan een van de grootste plagen van het oude New York. Net als de meeste gebouwen van toen was het van hout en in 1864 vloog het in de fik. Maar er kwamen andere luxe-hotels en villa’s in de plaats. Er kwam een trein, een amusementspark dat ook door vlammen werd verteerd en plaats maakte voor andere pretparken. Na de eerste wereldoorlog liet de vooruitgang van het transport de rijken toe hun vertier verder te zoeken en de armen om massaal naar Rockaway te komen. Tot in de jaren vijftig waren er meer dan 40 Ierse café’s in Rockaway. Maar de buurt ging bergaf. De stad gaf zelf de genadeslag met een stadsvernieuwingsplan dat in de jaren zestig honderden bungalows en villa’s platwalste en weinig anders in de plaats zette dan opslagplaatsen waarin mensen op bijstand zo ver mogelijk van Manhattan werden gehouden. Sommige wijken, zoals die waar Elizabeth en haar vrienden hun surfershuis huren, hielden koppig stand. Andere werden trieste plaatsen waar sociale diensten nog steeds een surplus van bijstandtrekkers, bejaarden, drugverslaafden, gehandicapten,en daklozen verstoppen in grauwe woonblokken en ‘groepstehuizen’ met namen als Rockaway Park Hotel. Hier ruikt de zee naar het einde van de wereld. Maar van de vooruitgang die New York de laatste jaren heeft gemaakt, zie je ook tekens in Rockaway. De stranden worden weer schoongemaakt en tijdens de zomer overdag bewaakt. Her en der verrijzen op braakliggende terreinen nieuwe huizen en lage flatgebouwen in frisse pastelkleuren. Het ziet er nogal chaotisch uit maar de prijzen rijzen de pan uit. Waar al dat volk zal winkelen is me een raadsel. “Vers brood, groente of vis vind je hier niet op wandelafstand”, zegt Elizabeth, “we brengen alles mee”. U bent verwittigd als u hier wil surfen.


19 juli 2006

op www.newyorksurf.com vindt u practische informatie over surfen in New York.

www.Surfline.com heeft 2 Webcamera’s geinstalleerd in Rockaway Beach.