Mijn bezoekers zijn er vaak verbaasd over dat ze hier zoveel Spaans horen. Ze realiseerden zich niet dat intussen al bijna een derde van de bevolking van New York 'hispanic' is -afkomstig uit Latijns Amerika. Waar ik woon, hoor ik vaak Spaans. Vanmorgen nog toen ik melk kocht in de 'bodega', zoals de typische latino-kruidenierszaken genoemd worden. Vroeger werden ze door Puerto Ricanen gerund, nu vooral door Dominicanen. Een vrouw voor mij zei aan de winkelier: "Rafael, quiero un cafe tambien". Ik herhaalde dat binnensmonds. Zo leer ik Spaans. De metro is ook een goed klaslokaal. Alle richtlijnen en vele reclameaffiches zijn handig twee- of meertalig. In de bank, de post, stadsdiensten, noem maar op, staat alles er minstens in het Engels en het Spaans. Wachten is leren, toch voor wie het wil. Dan zijn er nog alle winkels die Spaanse uithangborden hebben en restaurants waar het een leuk tijdverdrijf kan zijn om grappige engelse vertalingen van de menus te lezen. Die sterke Spaanstalige presence in New York is relatief recent. Ze begon met de toevloed van honderdduizenden Puerto Ricanen voor en na de tweede Wereldoorlog en groeide in het laatste kwart eeuw enorm met de komst van immigranten uit heel Latijns Amerika. Mexico en de Dominicaanse Republiek waren de grootste leveranciers. Wel werd hier al veel vroeger Spaans gesproken. Volgens een nieuwe tentoonstelling, getiteld "Nueva York (1613-1945)" die op dit ogenblik in El Museo del Barrio loopt, was de allereerste gedocumenteerde inwoner van Manhattan spaanstalig. Juan Rodriguez uit Santo Domingo woonde hier in 1613, elf jaar voor de Nederlanders Nieuw Amsterdam stichtten. Veertig jaar later moesten de Nederlanders de stad afstaan aan de Engelsen. Nederland en Engeland waren rivalen maar ze hadden een gemeenschappelijke vijand: Spanje. Nederlandse en Engelse piraten jaagden op de schepen die goud en zilver uit de Spaanse kolonies vervoerden. Het was mede voor dat doel dat nederzetting aan de monding van de Hudson was gesticht. Lange tijd werd er in New York anti-Spaanse propaganda gevoerd die de wreedheid van de Spaanse inquisitie en koloniale veroveraars dik in de verf zette. De pot verweet de ketel en praatte zo zijn eigen aangebrande bodem goed. In de negentiende eeuw waren de opstandelingen tegen de Spaanse voogdij in Latijns Amerika nergens zo welkom als In New York. Ze mochten er hun verzet openlijk organiseren maar dat belette niet dat New York intussen veel geld verdiende door handel te drijven met de Spaanse kolonies. Door die groeiende handel kwamen er meer Spaanssprekende immigranten, voornamelijk uit de begoede klasse. Pas tegen het einde van de 19de eeuw, toen Amerika de facto de macht overnam in een groot deel van de Caraibische eilanden, kwam de immigratie van spaanstaligen zonder geld op gang.
Die groeide sterk nadat Puerto Rico in 1917 door de VS werd ingelijfd. Nu ze Amerikaanse staatsburgers waren, konden de Puerto Ricanen zonder limiet naar New York emigreren, wat ze massaal deden telkens als de armoede op het eiland hen in de rug duwde. Zo kreeg New York snelgroeiende wijken die geurden, kleurden en klonken als Puerto Rico. De tentoonstelling in El Museo Del Barrio eindigt haar overzicht in 1945, twaalf jaar voor ‘West Side Story’ op Broadway in premiere ging. Die musical maakte de Puerto Ricaanse aanwezigheid in New York wereldbekend maar zorgde er volgens een Puerto Ricaanse vriend ook voor dat jonge Puerto Ricanen het cliché van messentrekkende vechtersbazen kregen opgezadeld. Sindsdien is de immigratie uit alle landen van Latijns Amerika fel gestegen. Vooral in de laatste decennia. Je kunt nu als het ware op reis gaan doorheen heel het kontinent zonder de stad te verlaten. Er is slechts één spaanstalig land waarvan het aantal inwijkelingen in New York is gedaald: Puerto Rico. Zelf ken ik verschillende Puerto Ricaanse gezinnen die uit de stad zijn weg getrokken. Ze wijken uit naar de suburbs of naar Puerto Rico. Zelfs velen die in New York geboren en getogen zijn vinden het eiland een ideale plaats om op rust te gaan.
19 oktober 2010