Nixzmary

Kerken zijn er hier alom. En elegante ‘brownstone’-huizen, gebouwd in de 19de eeuw, toen dit een chique blanke buurt was. Ik ben in Bedford-Stuyvesant, in het hart van Brooklyn. ‘Bed-Stuy’ is na Harlem de grootste zwarte wijk van New York. Ik wandel door Greene Avenue. Links, een verlaten park met een speeltuin, rechts een morsige ‘bodega’ (Latino-kruidenierswinkel), met een afgedankte sofa ervoor. Dan een rood bakstenen huis waarvoor een groep mensen somber staat te staren naar een stilleven van flakkerende kaarsen, goedkope bloementuiltjes en een berg van minstens honderd speelgoedbeertjes. Een magere zwarte man schrijft iets op een van de stukken karton die samen met kindertekeningen en kaartjes op en rond de ramen van het gelijkvloers zijn bevestigd. “Nixzmary, je zult nooit meer pijn of honger voelen. Je bent nu bij God en je bent zijn engeltje.” Jackson, zo heet hij, is speciaal van de Bronx gekomen. “Ik heb zelf vijf kleinkinderen”, zegt hij me, “ik mag er niet aan denken dat een van hen zoiets zou overkomen”. De tranen lopen over zijn wangen. Hij haalt een dollarbriefje uit zijn zak en stopte het in een plastieken waterfles waarop in zwarte stift “donations for funeral-expenses” staat geschreven. Het is een gaan en komen op het voetpad. Velen hebben kinderen aan de hand. Iedereen is zwart of latino op een blank televisie-ploegje en mezelf na. “Laat ons hopen dat dit nooit meer zal gebeuren”, zucht een dikke dame. “Vergeet het”, zegt een latino-meisje schamper, “Het systeem zal nooit werken zoals het moet.” Nixzmary Brown, zeven jaar oud, is het vierde New Yorkse kind op acht weken tijd dat is doodgeranseld. Ze hadden alle vier een dossier bij de kinderbescherming. Vorige mei werd de lerares van Nixzmary ongerust omdat ze zo vaak afwezig was. Als ze al eens kwam had ze nu eens een brandwonde, dan weer een blauw oog. De moeder en stiefvader van het meisje hadden telkens een uitleg klaar. Maatschappelijk werkers, een dokter en politie-detectives verkozen hen te geloven. Of te doen alsof. Begin december kwam Nixzmary helemaal niet meer naar school. Twee keren nog gingen maatschappelijk werkers bij haar aankloppen. Niemand deed open. Op de nacht van 10 januari belde haar moeder bij de buren. Nixzmary voelt koud aan, kom eens kijken. De buren vonden een bloedend, halfnaakt, uitgemergeld kinderlijkje met ingebeukt hoofd. Volgens de politie was de stiefvader woedend geworden toen het ondervoede meisje een potje yoegoert uit de frigo nam. Hij sloeg haar en bond haar vast op een stoel. Wat later stelde hij vast dat de printer van de computer niet werkte. Nixzmary, het zwarte schaapje van het gezin, kreeg de schuld. Hij vloog naar haar strafhok, sleurde haar naar de badkamer, trok haar kleren uit, duwde haar onder een ijskoude douche en beukte haar hoofd tegen de kraan. De moeder hoorde haar schreeuwen maar deed niets. Pas uren later ging ze naar haar dochtertje kijken. Ze zei aan de politie dat ze bang was van haar man maar toch veel van hem hield. Ze had zes kinderen bij vier mannen. “De vader van Nixzmary wou het kind laten wegmaken maar ik ben tegen abortus. Ik ben van hem weggegaan en heb het kind gehouden”, zei ze. Haar zevende zwangerschap eindigde vorig jaar in een miskraam. “Wilt u de foetus zien?” vroeg ze aan de maatschappelijke werkster die op huisbezoek kwam. Pardon? Maar dit vreemde aanbod deed geen alarmbel rinkelen voor de maatschappelijke werkster. Ze had te weinig tijd en te veel werk. In Vlaanderen lopen elk jaar zo’n 6000 klachten binnen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling. In New York kreeg de kinderbescherming vorig jaar 120.000 klachten binnen waarvan 20 000 geweld betrof. In het laatste decennium werden er jaarlijks 22 tot 36 kinderen die bij de kinderbescherming bekend waren, vermoord. Van Bed-Stuy neem ik de subway naar de Lower East Side. Er staat een rij van 500 mensen in de bijtende kou aan te schuiven voor de rouwkapel. De meesten zijn weer zwart en latino. Sommigen hebben bloemen bij en teddybeertjes. Blanke journalisten wandelen op en neer, speurend naar de geschikste koppen om te interviewen. Iedereen spreekt opvallend zacht. Niemand toont een spoor van ongeduld. Het duurt anderhalf uur voor ik aan de beurt ben om de kapel binnen te gaan. Er hangt een geur van kaarsen en lelies. De grootmoeder van Nixzmary die uit Puerto Rico is overgevlogen, zit ineengedoken in een groene sofa, een witte zakdoek in de vuist geklemd. De witte kist van haar kleindochter staat open. Het meisje heeft een wit satijnen jurkje en handschoentjes aan. Ze houdt een bosje witte rozen vast. Over haar gezichtje ligt een frele witte sluier. De dikke laag make-up kan niet verbergen hoe gezwollen haar lippen en ogen zijn. Twee dagen lang trekt er een stille betoging langs het op een wassen popje gelijkend kind. “Dit mag nooit meer gebeuren”, zegt de burgemeester, zoals zijn voorganger na een andere spectaculaire kindermoord. Op de dag van de begrafenis zit St Mary’s Church stampvol. De rest van ons die er niet bij kan, staat stoicijns in de gietende regen en een wind die de paraplu’s binnenste buiten keert. Na de dienst wordt de kist naar buiten gedragen door mariniers met witte hanschoenen. Rond mij wordt luid gesnikt. De regen kamoefleert de tranen. Mensen stormen naar voor om de lijkwagen te kussen. Ik glip de kerk binnen om wat op te warmen. Een vrouw bukt zich in het gaanpad om enkele rozeblaadjes op te rapen. Ze geeft me er eentje. “Het is van de kist gevallen”, zegt ze, “bewaar het goed.”

19 januari 2006