
“Wijlen Michael Jackson was wellicht mijn moeilijkste klant”, zegt Martin Greenfield, de beroemdste kleermaker van New York.
“Niet dat hij zo kritisch was maar ik moest maatpakken voor hem maken zonder hem te meten. ‘Hij heeft dezelfde maten als ik’, zei zijn stylist, ‘wat mij past, past hem’. Drie keer is hij heen en weer gevlogen om Michael de kostuums te laten passen. Ik kreeg daar telkens foto's van waar zijn hoofd niet op stond. Maar de zanger was tevreden over mijn werk en betaalde prompt”.
Ik onmoet Greenfield in zijn atelier in Bushwick, diep in Brooklyn, waar hij al 60 jaar kleren maakt. Zijn domein beslaat drie verdiepingen in een honderd jaar-oud industrieel gebouw. In het ouderwetse naaiatelier zitten mannen en vrouwen gebogen over machines die soms ouder zijn dan Greenfield zelf. Andere zijn geduldig in de weer met naald en draad. Er werken hier 117 mensen", vertelt Greenfield, "plus mijn twee zonen en ikzelf". Aan de muren hangen foto's van bekende klanten: burgemeester Bloomberg, Colin Powell, Paul Newman, Bill Clinton... "We werken ook voor mode-ontwerpers zoals Marcus Wainwright en David Neville van Rag & Bone. Het is hier nu vrij rustig maar in de weken voor Fashion Week is het hectisch", zegt Greenfield. Hij stopt aan een rek met jassen. Sommige dragen het etiket van de klassieke Brooks Brothers, andere van hippe merken zoals Freemans Sporting Club en Band of Outsiders. Zijn vingers glijden over de stof. "Kijk hoe mooi", zegt hij, "en zo zacht". Hij legt uit dat er in zo’n maatpak werk van 80 tot 85 kleermakers zit. Het duurt zes weken eer het af is en kost gemiddeld 2.600 dollar. Hij lacht. "Er hangen hier kleren die besteld zijn door winkels en ontwerpers die niet willen dat hun klanten weten dat ze hier gemaakt worden. We respecteren dat." Hij krijgt ook bestellingen uit Hollywood. Martin Scorsese wou 250 kostuums in jaren 20-stijl voor 'Boardwalk Empire', een nieuwe HBO-serie over Atlantic City. "We zijn er een jaar mee bezig geweest", zegt Greenfield, "de meeste pakken zijn gemaakt met authentieke stof uit de jaren ’20 die we in Schotland op de kop konden tikken." Een medewerker reikt hem een kopje aan. "Aah, mijn espresso", zegt Greenfield, "ik zou niet zonder kunnen. Het is vermoeiend om hele dagen recht te staan.” Toch oogt hij 20 jaar jonger dan zijn 82 jaar. Hij werkt hard en vertelt graag. Hij was 14 toen hij en zijn ouders, twee zusjes en broer werden opgepakt in Pavlova, in wat toen nog Tjechoslowakije was, en naar Auschwitz werden gedeporteerd. In het kamp moest hij kleren herstellen in de wasserij-afdeling. Op een dag scheurde hij per ongeluk het hemd van een SS-officier. Die gaf hem een afranseling en gooide hem woedend het hemd naar het hoofd. Greenfield herstelde het en begon het zelf te dragen. "Men liet me doen en het merkwaardige was dat zowel de andere gevangenen als de bewakers me met meer respect begonnen te behandelen. Ik ben ervan overtuigd dat dat hemd mijn leven heeft gered." De rest van zijn familie kwam om in het kamp. Dat kwam hij pas te weten nadat hij twee jaar naar hen gezocht had. Uiteindelijk belandde hij via een tante in New York. In 1947 ging hij aan de slag in een textielfabriek in Brooklyn. "Mijn eerste job was onaffe kleren van de ene naaister naar de andere brengen. Ik leerde beetje bij beetje.” Maar het bedrijf ging bergaf. In de jaren 1970, toen het bijna bankroet was, kocht hij het over en begon opnieuw met 6 werknemers. Het was een woelige tijd in New York. "Bushwick was een gevaarlijke plaats geworden", vertelt hij. “Bij ons werd er elf keer ingebroken. Veel bewoners en firma's zijn weggetrokken. Ik heb dat nooit overwogen. Ik dacht, als ik de holocaust heb doorsparteld, overleef ik hier ook wel. We vormden een groep om de problemen van Bushwick aan te pakken. We hebben de politie onder druk gezet, naschoolse activiteiten georganiseerd, acties gevoerd om historische gebouwen te beschermen. Bushwick is nu een hippe buurt aan het worden. In onze straat alleen al zijn er kunstateliers, een jeugdherberg, een koffiehuis, een fietswinkel en een fitness-club. Niet te geloven."
18 februari 2011