De eerste persoon die ik ooit interviewde in New York heette Ellen Baxter. Ik was nog zo groen dat ik een school-Engels sprak met een Brits accent. Ik was doodzenuwachtig, ook omdat ik haar zo bewonderde. Maar zij sprak rustig en bedachtzaam en keek me recht in de ogen. Met haar lang blond haar had ze iets engelachtig. In een hoek van haar sober ingerichte kleine woonkamer lag een baby, haar eerste, te slapen. Over de jaren zag ik haar naam af en toe opduiken in de media. Dan, twee maanden geleden, kreeg ik een mail van een Belgische documentaire-maker die vroeg of ik voor hem een dame in Harlem wilde opzoeken ter voorbereiding van een reportage die hij over haar wou maken. “Ze geeft onderdak aan dakloze psychiatrische patienten”, schreef hij, “haar naam is Ellen Baxter”.
Ik spreek met haar af op haar kantoor op Riverside Drive, aan de rand van Harlem, hoog boven de Hudson-rivier. Ik vind haar op het zevende verdiep van de 'Dorothy Day', een van de mooie oude Beaux Arts-flatgebouwen waar de lange straat zo bekend voor is. Het lange blonde haar, de kalme, trage stem en de intense blik: ik herken haar meteen. Ellen Baxter had al veel verwezenlijkt voor ik met haar sprak maar wat ze intussen nog allemaal uit de grond heeft gestampt is indrukwekkend.
In 1975, nadat ze haar psychologiestudies had afgemaakt, ging Ellen naar Geel. Ze bleef er een jaar om een wetenschappelijke studie te maken over de beroemde eeuwenoude traditie van gezinsverpleging van psychiatrische patienten. "Ik heb met 70 pleeggezinnen, hun gasten, verplegend personeel en andere Gelenaars gesproken", vertelt ze, "Ik heb nooit zoveel taart en koffie verorberd als toen. Geel was een openbaring. Als student had ik een studie gemaakt van de Amerikaanse psychiatrische instellingen. De zorg die de meeste patienten kregen was schandalig slecht. Ik was op zoek naar een alternatief. De manier waarop Gelenaars omgingen met de psychiatrische patienten en problemen oplosten was inspirerend. Het steunde op gezond verstand en respect en stond mijlen ver van de afstandelijke 'professionele' aanpak die ik aan de unief had geleerd." Terug in New York klampte Ellen diverse autoriteiten aan met het voorstel om een soortgelijke kleinschalige gezinsverpleging op te starten. Ze kreeg overal het deksel op de neus. Intussen kampte New York met een groeiend daklozenprobleem. Toen ik in 1980 zelf in New York kwam wonen dwaalden er duizenden psychiatrische patienten door de straten. Dat was het wreedaardig gevolg van ondoordachte massale sluitingen van grote psychiatrische inrichtingen, erger gemaakt door het verlies van goedkope behuizing. Ik was er net als Ellen het hart van in. Maar Ellen deed er iets aan. Samen met enkele verbeten advocaten deed ze de stad een proces aan namens de 85.000 daklozen in New York City. De rechter besloot dat de stad inderdaad volgens haar eigen wetten verplicht was om daklozen onderdak te bieden. De stad opende oude kazernes en stouwde ze vol met veldbedden. Beter dan niets maar voor veel daklozen was het er te angstaanjagend. In de grootste zalen stonden meer 1000 bedden opeengepakt in ruimten die bedoeld waren voor 200 mensen. Er waren gele cirkels geschilderd rond de bedden van geesteszieken en rode strepen rond die van Aids-patienten. Opvangcentra voor vrouwen eisten dat de daklozen een gynecologisch onderzoek ondergingen, zich lieten ontluizen en al hun persoonlijke bezittingen afgaven. Veel daklozen bleven nog liever op straat. Ellen bleef bot vangen bij de stad met haar voorstel om kleinschalige tehuizen op te zetten. Koppig als ze is, richtte ze dan maar zonder overheidshulp een vzw op om permanente huisvesting te verschaffen aan daklozen, met de verpleging van psychiatrische patienten daarin geintegreerd. Vandaag, 25 jaar later, is ze directrice van 'Broadway Housing Communities'. "We hebben intussen 6 flatgebouwen waar zo’n 400 volwassenen en een honderdtal kinderen permanent wonen", vertelt ze, "en we zijn bezig met een zevende gebouw te kopen. Al onze bewoners zijn ex-daklozen. De helft kampt met psychische stoornissen”. Ze runt het project met een ploeg van 80 mensen. Zoveel is duidelijk: onder het engelachtig uiterlijk van Ellen zit een generaal die niet van het woord onmogelijk houdt.
De volgende ochtend geeft Ellen me een rondleiding door haar zes woonprojecten. Haar ogen stralen als we door de mooi ingerichte peuter- en kleuterschool in de Dorothy Day-building lopen. De kinderen en het personeel begroeten haar warm. In elk gebouw willen bewoners haar hand schudden of omhelzen. Ik voel me alsof ik in het gezelschap ben van de lievelingstante van een heel grote familie. "Ik woonde in een busstation", vertelt een blinde vrouw me terwijl ze haar zwarte labrador streelt, "ik weet niet wat er van mij zou geworden zijn zonder Ellen." Een man van rond de veertig, een kunstschilder, beschrijft hoe Ellen hem letterlijk van straat had opgeraapt twintig jaar geleden. "Ik was een vogel voor de kat", zegt hij, "drugs, drank, door familie en vrienden in de steek gelaten...ik dacht aan zelfmoord. Het is dank zij haar dat ik nog leef." Later, op weg naar het metrostation, vertelt Ellen met een twinkeling in haar ogen dat ze van haar collega's al een tijd geen intake-interviews meer mag afnemen van kandidaat-bewoners. "Ze zeggen dat ik niet in staat ben om iemand te weigeren... Ze hebben gelijk. Ik ben een ramp op dat vlak".
17 december 2007