ANTWERP BY NIGHT

Ik ben de afgelopen weken een beetje verliefd geworden. Op Antwerpen nog wel. Ik logeerde er eerst een tijd op de Frankrijklei, dan in de Keizerstraat. Twee heel verschillende buurten die me allebei bekoren.

Vanuit de woonkamer op de Frankrijklei kijk ik op verkeer dat van geen ophouden weet maar mijn slaapkamer is rustig gelegen. Af en toe waaien er vrolijke Jiddische kinderstemmetjes binnen door het open raam. Een Indische buurman met een kleuter aan de hand houdt galant de voordeur voor me open. De poetsdame die de spiegels in de inkomhal opblinkt, beantwoordt mijn groet met een Pools accent. Twee minuten verder ligt de Meir. Ik tel voor mijn plezier de voetgangers waarmee ik aan de lichten sta te wachten. Veertig, vijftig! Met een snelle pas die niet voor die van New Yorkers moet onderdoen, reppen ze zich van en naar het centraal station. Af en toe loop ik mee met een individualist die met doodsverachting door de rode lichten sprint, wat me helemaal doet thuisvoelen. Omdat ik van 's morgens tot 's avonds laat bezig ben, moet ik de onrustige hond in mijn kop uitlaten als het deftig volk al lang de rolluiken heeft neergelaten. Ik kijk en geniet. Ik snuif de geuren op van benzine, frietvet, marihuana, verschaald bier en gebakken brood. Langs een Chinatownachtig straatje kom ik op het De Coninck-plein. De friet- en wafelkraam is er al dicht. Twee junkie-types -een blanke man en een zwarte vrouw- zijn in luid gebrekkig Engels aan het ruzieen. Er zitten nog wat mensen op banken te babbelen en te roken. Iemand telt zijn geld. Ik ben nog maar tien minuten aan het wandelen en heb al evenveel talen gehoord. Van cafe Kilimandjaro wandel ik naar cafe Firenze waar ik gefascineerd binnenkijk. Blanke volkse types zitten er voor hun pinten in een nostalgisch interieur waarvoor in New York veel geld zou worden betaald. Guirlandes in zilverkleurig papier, groen-wit-rood alom, neonlicht, oude Italiaanse prenten... het cafe is puur Little Italy uit de tijd toen dat nog een echte Italiaanse buurt was in plaats van een vliegenvanger voor toeristen. In cafe Jozeph op de hoek van het Astridplein is het nog laat volle bak. Het volk staat tot buiten. Binnen proberen de klanten te dansen maar ze zijn met zoveel dat ze nauwelijks hun schouders kunnen bewegen. Elke avond koop ik iets in een nachtwinkel. Geen van de uitbaters is Belg. "U voelt zich blijkbaar veilig", zei ik tegen een Indische winkelier wiens deur wagewijd openstaat. "Absoluut", zegt hij, "heel af en toe doen dronken jonge gasten wel eens vervelend maar ik mag niet klagen. Een kozijn van me had minder geluk. Zijn zoon van vijftien kreeg in hun winkel twee kogels in de borst ."

Het is vroeg in de ochtend en ik wandel door het stadspark. Wat ooit een grote vijver moet zijn geweest is nu een treurig lege put waar gras op de bodem groeit. Het doet me denken aan het overwoekerde Harlem-meer in Central Park uit de jaren 1980. Dezelfde New Yorkse vijver is intussen hersteld in zijn romantische glorie compleet met vissers en zwermen watervogels. Terwijl ik dit bedenk, huppelt er een wit konijn over de bodem van de parkvijver. Tegen de tijd dat ik helemaal rond de put ben gelopen, heb ik er zes konijnen, drie kippen en een poes zien in rond paraderen. Na mijn wandelingetje koop ik een chocolade-croissantje bij een joodse bakker. Wat verder passeer ik langs broodjeszaak Unizo Delicious. Het maakt me blij te zien dat een Arabische middenstander aan de bak kan komen in een joodse buurt. Enkele dagen is de broodjeszaak gesloten. Ik lees in de krant dat onbekenden de zaak 's nachts aan diggelen hebben geslagen. Het regent verschrikkelijk op mijn laatste avondwandeling vanuit mijn tweede stek in de Keizerstraat. Ik passeer het ene eeuwenoude mini-paleis na het andere. Geld dat er in Antwerpen moet verdiend zijn in de loop van haar geschiedenis. Sommige hebben nog steeds hun binnentuinen, perfecte oasen. Gisteren liep ik door de binnentuin van het Begijnenhof vlakbij in de Rode Straat. Al in 1245 woonden daar begijnen. De laatste deed het licht uit in 1986. "Geen manspersonen na zes uur 's avonds... geen vreemdelingen zonder toelating van de overste... en geen honden", staat er in het oude reglement aan de ingangspoort te lezen. Ik dwaal een hele tijd onder mijn paarse paraplu zonder doel van het ene nat glimmende straatje naar het andere. Ik kom twee fietsende meisjes tegen, een haastige man met een hond en een magere junkie die me beleefd om een euro vraagt "maar 20 cent is ook goed". Ik beland in de Oude Manstraat waar ineens meer volk slentert –inderdaad allemaal mannen maar de meesten niet zo oud. Er zijn ook vrouwen maar zij staan uit de regen, achter glas. Maar goed want ze hebben niet veel aan. Een politiewagen rijdt traag voorbij. De wind rukt wild aan mijn paraplu als ik wat later rond de verlaten Willem en Bonaparte-dokken wandel. Mijn schoenen zijn doorweekt. Het regent nu nog harder. In de nachtwinkel bij de lege markt zit een donkerbruine man achter de toog zijn krant te lezen. Ik koop kaaskoekjes, we praten over het weer, hij vertelt over zijn familie in Amerika. Ik neem afscheid van hem en van Anwerpen. Ik neem een mooiere laatste indruk mee dan de vorige keer. Toen werd ik tijdens een avondwandeling langs de scheldekaai de stuipen op het lijf gejaagd door het dierlijk gebrul dat plots opsteeg uit een grote tent waar het Vlaams Blok een meeting hield.

17 November 2007