STADSKASTEEL

Het is een uitnodiging die ik niet kan afslaan: een bezoek, georganiseerd door het magazine Architecture Digest, aan een kast van een huis in de Upper East Side van Manhattan, de rijkste stadsbuurt van Amerika. Een chocokleurig meisje in dienstuniform laat me binnen. Een groep van veertig mensen staat al met gespitste oren geschaard rond de leider van de avond: David Scot Parker, architect. Het nette heerschap met zijn zorgvuldig geknipt zilverkleurig baardje en duur pak past perfect in het weelderige interieur van de hal. “Michael is op zakenreis”, zegt hij, “zijn vrouw Margie keerde enkele uren geleden terug uit Praag.” Architect Parker is te discreet om dit detail te melden: Michael Loeb, de eigenaar van dit huis, verkocht enkele jaren geleden samen met zijn zakenpartner de Synapse Group, de grootste uitgeverij van consumentenbladen in Amerika, aan Time Warner voor 500 miljoen dollar. Geld genoeg –en hij zwom er vroeger al in- om zijn droom te verwezelijken: een authentieke 19de eeuwse New Yorkse ‘mansion’ –een kasteelachtig herenhuis zoals er nog veel op de Upper East Side staan- van buiten en van binnen historisch correct restaureren. Architect Parker kreeg de opdracht om de werken te leiden. “Het huis dateert van 1882”, vertelt hij, “in die tijd was de ‘Aesthetic’ stijl in zwang, een overgangsvorm tussen de Victoriaanse en de moderne architectuur. Het huis telt zeven verdiepingen. Dat is precies ook het aantal jaren dat de werken hebben geduurd. Elke woensdag, zeven jaar lang, hebben ik en de rest van mijn team vergaderd met Margie over de details. De meubels, het behangpapier, de stoffen, de schilderijen, het houtsnijwerk, alles moest authentiek zijn en wat we niet vonden, hebben we laten reproduceren.” Bijna teder legt hij zijn hand op de krullerige, uit hout gesneden bloemen van de trapleuning. “Een Franse artieste heeft die voor ons gemaakt. Ze was zwanger toen ze er aan begon. Haar kindje was drie toen het af was. En dat was nog maar alleen de trapleuning naar de eerste verdieping. Margie Loeb zelf was zwanger van een drieling toen de werken begonnen. Vaak waren er zeventig mensen tegelijk aan het werk.” Hoeveel de restauratie heeft gekost, wil Parker niet verklappen. “Alles is ‘museum-quality’”, zegt hij. Hij zal dat woord nog regelmatig herhalen. We doen er ruim drie uren over om het hele stadskasteel te bekijken. Elke kamer –zaal lijkt een juister woord-, elke gang, elke overloop is een bourgeois-festijn van gouden, diepgroene en wijnrode tinten, kasten waar hele gezinnen kunnen in wonen, sofa’s die er uitzien alsof er nog nooit iemand heeft in gezeten, laat staan geslapen, gedronken, gegeten of gevreeen, reusachtige, delicaat verschoten tapijten, Engelse en Amerikaanse keramieken vazen en serviezen, staanlampen en lusters met gloeilampjes die gaslicht imiteren, spiegelglad geboende vloeren, tegels in Romeinse badhuis-stijl en een collectie van meer dan honderd schilderijen. “Blijven de Loebs nog ‘Aesthetic style’-stukken verzamelen?”, vraagt een meisje uit ons gezelschap. “Absoluut”, antwoordt Parker, “wat ze nu kopen gaat naar hun villa in de Hamptons.” De Hamptons is het Knokke-Zoute voor New Yorkers zoals de Loebs. Op het momenteel kinderloze “kinderverdiep” op het zesde –drie grote slaapkamers met elk een eigen studie- en zithoek en badkamer, een aparte speelkamer groot genoeg voor een hele kleuterklas en een mooie kamer voor het kindermeisje- zegt Parker: “De drieling is absoluut niet verwend. In het begin vreesde ik dat de kinderen veel zouden beschadigen maar ze hebben respect voor wat ze hebben. Ook hun vriendjes gedragen zich voorbeeldig.” Wat te voorbeeldig, als je ‘t mij vraagt. Heel het huis ziet er zo antiseptisch perfect uit dat het lijkt alsof er geen mens en zeker geen kind in woont. Een legertje van huispersoneel zal daar wel verantwoordelijk voor zijn maar je zou toch van kinderen verwachten dat ze hun sporen nalaten. De zevende en hoogste verdieping is de kers op de taart. We komen in een met glazen koepels overdekte ruimte. De vloeren en muren zijn bezet met mozaiek. Overal staan en hangen planten en bloemen. Er murmelen enkele fonteintjes. Parker zwaait een dubbele glazen deur open. Voila, we staan op het dakterras met een tafel groot genoeg voor minstens twaalf gasten. Ik ga snel weer naar binnen. De herfstwind blaast gemeen. Ik heb ineens geen zin meer om te blijven voor de receptie in de ridderzaalachtige eetkamer. Enkele minuten later stap ik met een mengeling van opluchting en tevredenheid terug in de nu heel vuil lijkende subway. Ik blader door mijn dagelijkse portie krantenmiserie. “New York telt op dit ogenblik 9.500 dakloze gezinnen met kinderen”, lees ik. Een record, volgens het artikel.

17 oktober 2007