Straatvegers

Het is diploma-uitreiking in de Jezuitenschool in Park Avenue. Er zitten meer dan 1000 genodigden in de feestzaal. Lange tafels beladen met hapjes en drank staan klaar voor de receptie. Op het podium zit links een rij blanken, rechts een rij zwarten. Iedereen is op zijn paasbest gekleed. Een zwarte man van rond de dertig stapt naar de microfoon. Hij draagt een goedzittend donkerblauw pak, een witte anjer in zijn knoopsgat. “Mijn naam is Albert Tirado”, zegt hij. “We love you Albert!”, roept een vrouw in de zaal. Gelach. Applaus. Albert snikt. Hij tast in zijn jaszak en haalt een witte zakdoek boven. Het is stil geworden in de zaal. “Ik kan niet geloven dat ik hier sta”, zegt hij, “verleden jaar rond deze tijd zat ik nog in de gevangenis”. Hij wijst naar de blanke rij waar een grote man met wit haar en een bril met een hoornen montuur zit. “Bedankt George”, zegt hij, “alles wat ik vandaag heb, heb ik aan u te danken”. Weer luid applaus. Filantroop George McDonald wuift even naar de zaal. Hij is het brein achter de blauw-geuniformeerde straatvegers die in ruil voor een bescheiden loon en onderdak in de drukste winkelwijken van New York de straten vegen en de vuilnisbakken legen. Albert is een van die 250 mannen die de stad er merkelijk schoner hebben doen uitzien de laatste jaren. Je kunt ze niet missen. Op de rug van hun uniform staat een tekening van een gespierde man met daarnaast de woorden “Ready, Willing and Able”. Daaronder staat “The Doe Fund”, de naam van de stichting van George McDonald. Die probeert dakloze mannen de nodige levensvaardigheden te leren om op eigen benen te staan. Drugs zijn uit den boze. De deelnemers ondergaan twee keren per week op willekeurige momenten een urine-test. Wie de regels overtreedt, wordt doorverwezen. Wie met succes het jaarlang programma doorloopt, krijgt zijn ‘diploma’. “Het laatste jaar slaapt mijn moeder weer veel beter”, vertelt Albert. “Als tiener spijbelde ik, later was ik in en uit de gevangenis… ik heb veel geld en tijd verknoeid met drugs maar nu ben ik al een jaar ‘clean’.” Albert grijpt nog enkele keren naar zijn zakdoek tijdens zijn speech. Hij is anders een vlotte spreker. Zoals hij daar piekfijn uitgedost staat, zou hij een ambitieus jong bedrijfskaderlid kunnen zijn dat een congres toespreekt. Later, na nog een hele rits speechen, krijgt hij als eerste zijn ‘diploma’ uitgereikt. Hij wordt gevolgd door 250 anderen, waaronder slechts een handvol blanken. Hemd en das zijn blijkbaar verplicht voor de ceremonie. Sommigen hebben zoals Albert een maatpak aan, anderen vrolijk gekleurde, breedgeschouderde polyesterpakken, glanzende zilver- en goudkleurige dassen en bolhoedjes, soms met een pluimpje erop.

Tijdens de receptie praat ik met een zwarte jongen in een knalgeel rapperspak die met zijn rug tegen een pilaar naar het feest staat te kijken. Hij heet Marc Taylor en is 25. “Ik hoop er volgend jaar ook bij te zijn”, zegt hij. Hij heeft een zachte stem, sproetjes en een groene ogen. Hij heeft zes jaar cel achter de rug voor een gewapende ‘carjacking’. “De rechter had geen medelijden. Hij stopte me in een gevangenis voor zware misdadigers. Ik was een onnozel, koppig ventje toen ik binnenging en kwam er uit als een volwassen man. Ik heb er wel mijn middelbaar diploma gehaald. Toen ik vrij kwam, sliep ik de eerste nachten op Randall Island (een berucht stedelijk opvangcentrum voor daklozen). We zaten daar met 700. Het was er smerig. Ik zag er drugs en wapens. Ik ging naar een sociale werker en zei: ‘Het is hier erger dan in de gevangenis. Stuur me aub ergens anders.’ Zo kwam ik bij het ‘Doe Fund’ terecht. Had je me vroeger gezegd dat ik ooit straatveger zou worden, dan had ik je vierkant uitgelachen. Nu ben ik blij dat ik dit mag doen.” Ik spreek met Marc af morgen bij hem ‘thuis’. De volgende ochtend stap ik een oud schoolgebouw in Harlem binnen. Ik moet door een metaaldetector. Mijn rugzak wordt doorzocht. De bewakers zijn beleefd en vriendelijk. Ik wandel door een glanzend geboende witte gang naar het kantoor van directeur Nazerine Griffin. “Het Doe Fund beheert zes flatgebouwen waar voormalige daklozen permanent wonen en zes tijdelijke opvangcentra”, zegt hij. “Ik heb hier 198 mannen onder mijn hoede. De meesten zaten aan de drugs voor ze hier kwamen, 70 procent komt uit de gevangenis en bijna de helft heeft het middelbaar niet afgemaakt”. Hij staat recht en wandelt door de kamer. Hij mankt. “Door een kogel in mijn heup”, zegt hij, “ik had dood kunnen zijn. Ik heb twintig jaar geleefd zoals de meeste mannen hier. Ik heb zelf het Doe Fund-programma doorlopen. Ik kan geen wonderen beloven maar 67 procent van mijn gasten haalt zijn ‘diploma’. Een jaar later hebben ze nog steeds een baan, een flat en zijn ze drugvrij.” We praten over de ontmoedigende statistieken die deze week bekend werden gemaakt. De helft van zwarte twintigers die geen hoger onderwijs volgde, is werkloos. Onder diegenen die het middelbaar niet afmaakten, is 72 procent werkloos. Van de zwarte twintigers die hun middelbaar niet afmaakten zijn er meer in de gevangenis –34 procent- dan aan het werk –30 procent. Marc komt binnen. Griffin geeft hem een vaderlijke omhelzing. Marc voelt zich zichtbaar op zijn gemak bij de directeur. Hij mag me een rondleiding geven van het centrum onder toezicht van een bewaker. “Die komt er wel”, zegt Griffin bij het naar buitengaan.

Meer over het Doe Fund

16 april 2006