Van een brunch in Pete’s Tavern naar de spoedopname
Een decemberzaterdag in New York. De straten, restaurants en bars wemelen van mensen in gekke roodwitte Santa Claus- plunjes. Ik klim de smalle trap op naar het tweede verdiep van het oud bruin café Pete's Tavern, waar de eindejaars-brunch van de ‘Wolfe Walkers’ doorgaat. Ik ben lid van het bestuur van deze vereniging die historische stadswandelingen organiseert. Dat was geen ambitie van me maar mijn vriend, de stadsgids Justin Ferate, drong er op aan. Omdat ik van hem geleerd heb hoe naar steden te kijken, wou ik niet weigeren. “We hebben dringend jonger bloed nodig", had Justin gepleit. Als je het gezelschap in Pete’s Tavern zou zien, zou je hem gelijk geven. De gemiddelde leeftijd van de Wolfe Walkers ligt een stuk boven de 70. "We zijn samen oud geworden", zegt de dame die tegenover mij aan tafel zit. Na het dessert is Justin net begonnen aan een uiteenzetting over Henry Hudson als een man die op enkele stoelen van me zit plots luid snurkt. Justin doet nog even verder maar het snurken wordt zo luid dat hij moet stoppen. Iedereen luistert. Na enkele snurken die verbijsterend lang en luid zijn, valt de man abruupt stil. Zijn hoofd hangt achterover. Zijn mond zakt wijd open. Zijn tafelburen kijken verbouwereerd naar hem. Ik haast me naar hem toe. Hij is bewusteloos. Drijfnat van het zweet. We houden hem recht en proberen hem af te koelen met ijsblokjes gewikkeld in een handdoek. De ambulance is er snel. Bij gebrek aan andere vrijwilligers ga ik mee. Bill, zoals hij blijkt te heten, heeft een zuurstofmasker voor zijn asgrauw gezicht terwijl we met loeiende sirenes door het verkeer slalommen. Hij komt snel bij. Hij mompelt iets. "Wat zegt u?" vraagt de ambulancier. "Mijn vader is 104 geworden", krijgt Bill er moeizaam uit, "Ik dacht dat ik ook zo oud zou worden. Kijk nu naar mij...ik ga dood..." De wat scheel kijkende ambulancier legt zijn hand op Bills schouder. "Welnee meneer", zegt hij lief, "U wordt vast nog ouder dan uw vader."
Op de spoedopname lijkt de chaos compleet. Een mierenhoop van dokters, verplegers, patienten en hun begeleiders. Zowel verzorgers als zieken lijken uit heel de wereld te komen. De ambulanciers moeten aanschuiven. Er ligt nog een patient op een brancard voor ons, kermend vanwege zijn nierstenen. Na enkele minuten wachten staan er al drie brancards achter ons en een huilende lijkbleke Aziaat, zijn rechterhand in een met bloed doordrenkte handdoek. De chaos verbergt een goed-geoliede organisatie. We zijn amper vijf minuten binnen of Bill wordt al op een bed gelegd. Twee verplegers en een dokter buigen zich over hem. Dan komt een bewaker in uniform binnen, een kleerkast van een vent. "Iedereen die geen patient is, naar de wachtzaal", roept hij. Niemand protesteert. De wachtzaal zit ineens stampvol. Het duurt nog anderhalf uur eer ik Bill kan zien. Hij oogt al beter. “Maar hij moet blijven voor observatie", zegt de dokter. Bill vertelt me dat hij 74 jaar is en in Brooklyn woont. Ik vraag hem of ik zijn familie moet verwittigen. “Nee”, zegt Bill, “alleen mijn vriend Michael.”
Zijn vriend schrikt als ik hem het nieuws vertel. "We zijn beiden pianisten", zegt hij, "we kennen elkaar al eeuwig. Hij is niet van de gemakkelijkste. Met zijn familie heeft hij geen contact meer."
Als ik Bill de volgende ochtend bezoek ligt hij in een nette kamer met zicht op de East River. "Ik denk dat ik ziek werd door de stress", zegt hij. “Ik woon al sinds 1953 in hetzelfde appartement. Eerst bij mijn ouders maar die zijn nu dood, mijn vader is drie jaar geleden overleden. De huisbaas wil me weg omdat hij dan meer huur kan vragen. Hij doet geen herstellingen meer. Hij heeft het warm water afgesloten en ik heb nog maar in één kamer electriciteit. Ik weet niet hoe het zal aflopen...”
Elke dag worden meer dan 6000 Amerikanen uit hun woningen gezet. De leegstand groeit en het aantal daklozen ook. In New York zijn er nog nooit zoveel geweest.
“Geniet je van het zicht?”, vraag ik om hem te verstrooien.
"Dat wel maar ik hoop dat ik vanavond naar huis mag", zegt Bill nerveus. "Ik moet morgen werken. Ik heb het geld nodig." "Zie maar eerst dat je beter wordt", sus ik hem. Wat kan ik anders zeggen?
15 december 2009