Ik kon er jarenlang de klok op gelijk zetten: elke zondag om vijf voor tien wandelden ze voorbij mijn huis. Dikke Pat met zijn al even rotonde, stuurse vrouw die op madame Nero gelijkt, joviale Mike, nog niet geheel ontnuchterd van zijn uitspattingen van de vorige nacht en mijn buurman magere Bob, de roddelnonkel van de straat. Vier katholieken op weg naar St John the Baptist, het kerkje op het einde van mijn straatje. Als ze een week hadden overgeslagen zou hun afwezigheid niet onopgemerkt zijn voorbijgegaan. “Soms waren we maar tien parochianen in de mis”, vertelt Bob die zijn beklag komt doen terwijl ik op mijn knieen enige orde probeer te scheppen in mijn verwilderd voortuintje. Bob is kwaad. Zijn kerk bestaat niet meer. Ze werd enkele maanden geleden gesloten, samen met nog twintig andere katholieke kerken in New York. “Tijdens de laatste mis was de kerk nochtans helemaal volzet”, zegt hij. Ik knik. Op die laatste zondagochtend was ik zelf ook nog even in de kerk geweest. Aan de ingang stond een dame die, net als op sommige Amerikaanse begrafenissen, papieren zakdoekjes uitdeelde. De kerkbanken zaten afgeladen vol met deftig geklede blanken. Dat waren mensen die hier vroeger woonden, toen onze wijk nog overwegend blank was. Voor de laatste mis waren ze nog eens naar hun oude parochiekerk afgezakt. “Toen stonden ze daar allemaal ineens weer”, zegt Bob bitter, “toen het te laat was.” Er is nochtans geen gebrek aan katholieken in onze buurt”, merk ik op. “Ja maar dat zijn Mexicanen”, zegt Bob, “ik weet niet waar dat volk naar de mis gaat en ik wil het ook niet weten.” Bob heeft het niet zo begrepen op anders-gekleurden, zelfs al zijn het geloofsgenoten. Waar ze naar de mis gaan weet hij overigens best: in kerken waar Spaans de voertaal is en de diensten gekruid zijn met de ambiance van het thuisland. En als ze die ambiance te lauw vinden in katholieke kerken, dan sluiten ze zich aan bij een van de vele protestante kerken die ijverig recruteren bij de Latino-immigranten. Vooral de Pinkstergemeenschap ligt goed in de markt. Volgens een recente studie van het Pew Forum on Religion and Public Life hebben al 1,3 miljoen immigranten uit Latijns Amerika er zich bij aangesloten. De Pinkstergemeenschap gelooft nog echt in magie en mirakels. En mirakels is het enige waar de armsten onder de immigranten nog durven op hopen. Bovendien maken de kerkjes van de Pinkstergemeenschap zich nuttig als buurthuizen. In mijn wijk zijn ze verschillende avonden per week open. ‘s Zondags zijn ze de hele dag open en mogen de gelovigen er blijven eten. Die kerkjes zitten stampvol terwijl de katholieke leeglopen. Geen wonder dat de paus tijdens zijn bezoek aan New York in april de Amerikaanse bisschoppen aanmaande om een grotere inspanning te doen om de immigranten in hun kerken te verwelkomen. En dat hij samen met president Bush een verklaring aflegde die opriep om immigranten humaan te behandelen en hun gezinnen te beschermen. Wat de Bush-regering overigens niet belette op diezelfde dag 300 illegale immigranten te arresteren die het vuil werk deden in de kippeslachterijen van een bedrijf dat, ironisch genoeg, “Pilgrim’s Pride” heet.
Intussen staat de kerk en de aanpalende school en pastorij in onze straat leeg. Wat ermee zal gebeuren, lijkt niemand te weten. “Als ze er maar geen daklozen in onderbrengen”, moppert Bob. Met genoeg poen zou er iets prachtig van het complex kunnen gemaakt worden. Sinds 1980 kregen al 25 New Yorkse kerken en synagogen een residentiele of commerciele bestemming. Er zijn er net weer enkele mooie af in Brooklyn. Zoals de voormalige St Peter’s Church in Brooklyn Heights. De kerk heet nu de “Arches” (“Bogen”). Er zijn 59 appartementen in ondergebracht. Voor een ruime flat betaal je er meer dan een miljoen dollar. Voor die prijs krijg je er enkele originele houten banken bij waar de parochianen vroeger op zaten te bidden of te dagdromen.
De gebouwen een andere bestemming geven is niet zo moeilijk. Maar wat gebeurt er met al de beelden, schilderijen en andere religieuze rimram waarmee de kerken die gesloten worden waren opgesmukt? In New York alleen al gingen vorig jaar 21 katholieke kerken voorgoed dicht. In de rest van het land sloten er nog meer. Dat betekent een gigantische berg van kerkelijke interieuren. Wat daarmee aangevangen? Verkopen mag niet volgens de kerkelijke wet. Wegwerpen ook niet, tenzij er onherstelbare schade is. Het aartsbisdom Philadelphia kwam op het idee om een inventaris van de inboedel van gesloten kerken op een website te zetten. Pastoors kregen een paswoord waarmee ze online konden shoppen. Andere bisdommen volgden Philadephia’s voorbeeld. Het is goed om te zien dat de kerk ook recycleert maar als de kerksluitingen aan het huidig tempo aanhouden zal de vraag steeds kleiner worden en het aanbod steeds groter. Zelfs recyclage wordt dan moeilijk.
De overdracht van goddelijke antiek verloopt overigens niet altijd rimpelloos. Zo rekende een pastoor op de New Yorkse buiten voor zijn nieuw kerkgebouw op de exquise glasramen van de in 2004 tot afbraak veroordeelde St-Thomas-kerk in Harlem. Een harde kern verbolgen parochianen deed het aartsbisdom New York echter een proces aan en voorlopig gaan de glasramen nergens naar toe. Maar dit is het soort achterhoedegevecht dat de beminde parochianen telkens weer verliezen.
15 mei 2008